Uitspraak
10 mei 2013, 12/3288 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 2 december 2011 een aanvraag in bij het UWV voor een WAO-uitkering. Het UWV stelde vast dat er onvoldoende verzekerde tijdvakken waren en gaf appellant de mogelijkheid aanvullende informatie te verstrekken binnen een gestelde termijn.
Appellant stuurde slechts twee verklaringen van de CNSS over meldingen in 2001 en 2002 en een brief met zijn fiscaal nummer, maar geen aanvullende gegevens die noodzakelijk waren voor de beoordeling. Het UWV besloot daarom de aanvraag niet verder in behandeling te nemen en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond.
De rechtbank bevestigde dit besluit en ook in hoger beroep slaagde appellant er niet in nieuwe relevante informatie te overleggen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 4:5 Awb Pro om de aanvraag buiten behandeling te laten, en bevestigde de eerdere uitspraak.
Er was geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd op 29 december 2014 gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WAO-aanvraag terecht buiten behandeling heeft gelaten wegens onvoldoende gegevens.