ECLI:NL:CRVB:2014:4183
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als apothekersassistente, stopte haar werkzaamheden in januari 2009 wegens buik- en darmklachten. Het UWV stelde in november 2010 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Dit besluit werd in april 2011 bevestigd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante adequaat waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij niet in staat was de aangeduide functies te vervullen. Zij bracht nieuwe medische informatie in, waaronder een recente operatie in 2014. De Raad benoemde een onafhankelijke maag-darm-leverarts die het eerdere oordeel bevestigde. De Raad oordeelde dat de nieuwe informatie geen aanleiding gaf tot herziening van het eerdere oordeel over haar belastbaarheid.
De Raad concludeerde dat het UWV-besluit berust op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag en dat appellante met haar krachten en bekwaamheden in staat wordt geacht de geselecteerde functies te vervullen. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.