ECLI:NL:CRVB:2014:4057
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving sinds juli 2008 een nabestaandenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot, omdat zij toen meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een herbeoordeling in 2011 concludeerde het UWV, op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek, dat appellante niet arbeidsongeschikt was volgens de criteria van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) trok daarom de uitkering in per 1 juni 2011.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat haar fysieke en psychische beperkingen, waaronder maagproblemen, duizeligheid, misselijkheid en artrose, onvoldoende waren meegewogen. Uit aanvullend onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bleek echter dat appellante met haar beperkingen passende functies kon vervullen en daarmee niet arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit ongegrond en oordeelde dat de medische en arbeidskundige grondslag toereikend was. In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek niet zorgvuldig was geweest en haar belastbaarheid onjuist was vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische rapporten zorgvuldig en consistent waren en dat er geen objectieve medische gegevens waren die de vastgestelde functionele mogelijkheden in twijfel konden trekken.
De Raad concludeerde dat de medische en arbeidskundige beoordeling juist was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 november 2011 werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.