ECLI:NL:CRVB:2014:3902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn vanaf 26 november 2012. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond, omdat de verzekeringsarts de beperkingen van appellant zorgvuldig had vastgesteld en er geen aanwijzingen waren voor ernstige psychopathologie.
In hoger beroep betoogde appellant dat de beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn wisselende goede en slechte dagen, waarbij op slechte dagen geen arbeid mogelijk zou zijn, en dat psychosociale beperkingen onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts juist wel rekening hadden gehouden met deze mindere dagen en psychosociale klachten, mede omdat appellant hiervoor niet onder behandeling was en geen medisch rapport had overgelegd ter onderbouwing.
De Raad bevestigde dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 19 december 2012 correct was opgesteld en dat de functies die appellant geacht werd te kunnen vervullen medisch geschikt waren. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.