ECLI:NL:CRVB:2014:3867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft op 8 september 2011 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij besluit van 22 december 2011 vastgesteld dat appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet WIA, waardoor geen recht op uitkering ontstaat. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 11 april 2012 ongegrond verklaard.
De rechtbank Breda heeft het beroep van appellante tegen het besluit van het Uwv eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.
In hoger beroep heeft appellante haar eerdere gronden herhaald en gesteld dat haar beperkingen onvoldoende zijn meegewogen en dat zij de door het Uwv genoemde functies niet kan vervullen vanwege de vereiste interne opleiding. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de medische beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 oktober 2012 juist zijn en niet worden betwist met objectieve medische gegevens. Daarnaast is het opleidingsniveau van appellante voldoende om de interne opleiding te volgen en staan haar beperkingen het sociaal functioneren niet in de weg.
De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.