ECLI:NL:CRVB:2014:3846

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2014
Publicatiedatum
21 november 2014
Zaaknummer
13-1980 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant verzocht om een WIA-uitkering, maar het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de uitkering af. Appellant voerde aan dat zijn lichamelijke en psychische beperkingen, waaronder zwaar beschadigde knieschijven en cognitieve klachten, door het UWV onderschat waren. Hij overlegde een neuropsychologisch rapport ter onderbouwing.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsarts Van Paridon zorgvuldig en volledig was, waarbij rekening was gehouden met alle relevante medische gegevens en beperkingen. Het neuropsychologisch onderzoek werd als onbetrouwbaar beoordeeld vanwege onderpresteren en secundaire ziektewinst.

De Raad concludeert dat appellant in staat is de geselecteerde functies te vervullen met inachtneming van zijn beperkingen. Er is geen aanleiding om het eerdere oordeel te wijzigen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

13/1980 WIA
Datum uitspraak: 21 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
4 maart 2013, 12/3955 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.A.M. de Haan-van de Laak hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant zijn nadere medische stukken in het geding gebracht, waarop door het Uwv is gereageerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 24 april 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van
18 juni 2012 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 25 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep zijn reeds in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden herhaald. Appellant stelt dat zijn beperkingen op het lichamelijke en psychische vlak door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat. Vanwege zijn zwaar beschadigde knieschijven is hij niet alleen beperkt in lopen en staan, maar ook in zitten. Ter onderbouwing van zijn psychische klachten heeft appellant in hoger beroep een verslag van
11 november 2013 van een neuropsychologisch onderzoek overgelegd. Voorts stelt appellant niet in staat te zijn de ter bepaling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid geselecteerde functies te vervullen.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is het onderzoek naar de beperkingen van appellant, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onzorgvuldig of onvolledig te achten. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de beperkingen van appellant op de datum in geding niet onjuist zijn ingeschat door de verzekeringsartsen van het Uwv. In zijn rapport van 15 oktober 2012 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep
E.J.M. van Paridon inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen dan door de verzekeringsarts is vastgesteld. Van Paridon heeft bij zijn beoordeling de in bezwaar verkregen informatie betrokken van de behandelende orthopedisch chirurg omtrent de ingreep aan de beide knieën alsmede een schrijven van de behandelende neuroloog van 22 augustus 2012, met daarbij gevoegd het verslag van 21 augustus 2012 van een neuropsychologisch onderzoek. Van Paridon heeft erop gewezen dat in de uitslag van dit onderzoek gesproken wordt van onderpresteren door appellant en secundaire ziektewinst en dat daardoor de uitslag niet betrouwbaar is. Er is voldoende rekening gehouden met de beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren, het verminderde gehoor en de knieproblematiek. De subjectieve waardering van appellant van de arbeidsbeperkingen als gevolg van de klachten en aandoeningen wijkt af van de op basis van de objectieve medische gegevens door de verzekeringsarts reëel geachte arbeidsbeperkingen. Er zijn volgens Van Paridon redenen om aan te nemen dat de beperkingen in voormeld verslag te fors zijn aangezet, nu er sprake is van onderpresteren en secundaire ziektewinst.
4.2.
Het in hoger beroep overgelegde verslag van het neuropsychologisch onderzoek van
11 november 2013 leidt niet tot een ander oordeel. Terecht volgt het Uwv de conclusie van Van Paridon in zijn rapport van 13 augustus 2014, dat op basis van dit onderzoek geen conclusies kunnen worden getrokken vanwege de onbetrouwbaarheid daarvan, zoals in het verslag zelf ook is aangegeven. De conclusie dat er sprake is van ernstige cognitieve stoornissen wordt niet gedragen door het onderzoek.
4.3.
Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen, moet met de rechtbank geoordeeld worden dat appellant in staat moet worden geacht de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de geselecteerde functies. In de arbeidskundige rapporten is inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellant deze functies kan vervullen met inachtneming van zijn beperkingen.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) D.E.P.M. Bary

JS