ECLI:NL:CRVB:2014:3809

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2014
Publicatiedatum
19 november 2014
Zaaknummer
13-1868 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAO
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar

Appellante ontving sinds 1999 een WAO-uitkering vanwege psychische en buikklachten, welke in 2006 werd ingetrokken wegens een vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. Na een periode van ziekengeld en een melding van verslechtering in 2011, weigerde het UWV een nieuwe WAO-uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, omdat er geen sprake was van een toename van arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak binnen vijf jaar sinds de intrekking.

In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de toename van arbeidsongeschiktheid in 2009-2010 niet aan dezelfde oorzaak was toe te schrijven. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verzekeringsarts terecht had geconcludeerd dat er in die periode geen toename van functionele beperkingen was ten opzichte van eerdere vaststellingen. Er waren geen nieuwe medische gegevens die dit standpunt ondersteunden.

De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit van het UWV. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door H. van Leeuwen op 17 november 2014.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na intrekking.

Uitspraak

13/1868 WAO
Datum uitspraak: 17 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 februari 2013, 12/3574 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2014. Appellante is verschenen met bijstand van mr. J.A.H. Blom, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.
Vanaf 29 september 1999 heeft appellante een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, nadat zij haar werkzaamheden op 30 september 1998 ten gevolge van psychische klachten en buikklachten had gestaakt. Het UWV heeft bij besluit van 15 februari 2006 haar uitkering ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 6 februari 2006 op minder dan 15% werd gesteld. Aansluitend heeft het Uwv aan appellante een uitkering krachtens de Werkloosheidswet toegekend. Van
1 december 2009 tot 12 oktober 2010 heeft appellante ziekengeld ontvangen. De verzekeringsarts heeft in het rapport, dat aan de toekenning van ziekengeld te grondslag ligt, vermeld dat op grond van een aantal belastende factoren werken niet onmogelijk was, maar nog moeizaam aan appellante op te dragen was.
1.2.
Door middel van een op 18 november 2011 ondertekend formulier heeft appellante gemeld dat haar gezondheid verslechterd was. Aan de verzekeringsarts heeft appellante vervolgens verklaard dat zij zich sinds september 2011 niet meer in staat acht te werken.
1.3.
Bij besluit van 19 januari 2012 heeft het Uwv appellante een WAO-uitkering geweigerd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 11 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard, omdat er sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde oorzaak, maar niet binnen vijf jaar sinds de laatste wijziging van de arbeidsongeschiktheid.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen dat er in 2009 geen sprake was van een “Amber-situatie”, aangezien er geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid die voortkwam uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid waarop de ingetrokken uitkering was gebaseerd.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep - kort gezegd - naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat UWV zich terecht op het standpunt stelt dat de toename van arbeidsongeschiktheid in de periode december 2009 tot oktober 2010 niet aan dezelfde oorzaak is toe te schrijven als die, ter zake waarvan eerder een uitkering krachtens de WAO is toegekend. Indien immers de toename in deze periode wél in aanmerking zou zijn genomen, zou bij de toename van de klachten in het najaar van 2011 sprake zijn van een toename binnen vijf jaar na beëindiging van die uitkering.
3.2.
Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
De uitkering krachtens de WAO van appellante is ingetrokken met ingang van
6 februari 2006. In artikel 43a, eerste lid, van de WAO is bepaald dat toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt zodra de arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd, indien binnen vijf jaar na de datum van intrekking (dus in dit geval voor 7 februari 2011) sprake is van arbeidsongeschiktheid en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan de ingetrokken uitkering werd genoten.
4.2.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan worden gevolgd. Het rapport van 11 juni 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevat een samenvatting van de gegevens uit het dossier, de medische bezwaren van appellante, een bespreking van de bezwaren van appellante aan de hand van de ter beschikking staande medische informatie en een weergave van de hoorzitting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voorts de (de in het rapport van 13 januari 2012 neergelegde) bevindingen van de verzekeringsarts, die appellante persoonlijk heeft onderzocht, beoordeeld.
4.3
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn onderzoek onderkend dat er wel klachten waren in de periode december 2009 tot oktober 2010, maar geconcludeerd dat in die periode geen toename van functionele beperkingen kan worden vastgesteld ten opzichte van de beperkingen als neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van
12 december 2005. Er kan naar zijn opvatting eerst sinds 18 november 2011 gesproken worden van toegenomen beperkingen ten opzichte van de FML van 12 december 2005. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie, te meer niet nu die conclusie in overeenstemming is met de bevindingen van de verzekeringsarts die appellante naar aanleiding van haar ziekmelding in die periode heeft onderzocht. Door appellante zijn geen nadere medische gegevens in geding gebracht die haar standpunt ondersteunen en de conclusies van de verzekeringsartsen aantasten. Reeds op de grond dat van een toename van de medische beperkingen in de betreffende periode onvoldoende is gebleken, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in hoger beroep uitgebrachte rapport heeft benadrukt, treft de grief van appellante geen doel. De rechtbank heeft het bestreden besluit dan ook terecht in stand heeft gelaten.
4.4.
Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2014.
(getekend) H. van Leeuwen
(getekend) V. van Rij

QH