ECLI:NL:CRVB:2014:3748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na heupoperaties
Appellante, die na meerdere heupoperaties arbeidsongeschikt raakte, vorderde een WIA-uitkering. Het UWV stelde dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, maar kende na bezwaar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met 36% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 16 maart 2011 juist was.
In hoger beroep voerde appellante aan volledig arbeidsongeschikt te zijn vanwege fysieke beperkingen en chronische klachten, en vroeg subsidiair om een urenbeperking. De Raad schakelde een onafhankelijke revalidatiearts in, die bevestigde dat de beperkingen hoofdzakelijk voortkomen uit heupafwijkingen, maar dat klachten deels somatisch psychisch van aard zijn. De deskundige onderschreef de FML en vond geen medische noodzaak voor een urenbeperking.
De Raad oordeelde dat het rapport zorgvuldig, consistent en inzichtelijk was en dat er geen reden was het niet te volgen. Ook de geschiktheid voor de aangeboden functies werd bevestigd. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering boven 36% arbeidsongeschiktheid en geen medische urenbeperking.