ECLI:NL:CRVB:2014:3744

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 november 2014
Publicatiedatum
14 november 2014
Zaaknummer
14-5272 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 7:15 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding na schuldig nalatig verklaring AOW

Verzoeker was schuldig nalatig verklaard voor het jaar 2003 vanwege een openstaande schuld aan de belastingdienst. Na bezwaar heeft de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het besluit herroepen en verzoeker niet langer schuldig nalatig geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Verzoeker stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding toekende, omdat hij kosten had gemaakt, waaronder advocaat-, reis- en verletkosten. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker in alle fasen in persoon had geprocedeerd en de opgegeven advocaatkosten niet betrekking hadden op deze procedure. Ook waren de reis- en verletkosten niet onderbouwd.

Verder was niet gebleken dat verzoeker tijdig een verzoek tot vergoeding van reiskosten had ingediend bij het bestuursorgaan, zoals vereist volgens de Awb. De voorzieningenrechter wees het hoger beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

14/5272 AOW, 14/5273 AOW-VV
Datum uitspraak: 14 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 29 augustus 2014, 14/3357 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb van 16 september 2014
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2014. Verzoeker is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1. Bij beslissing op bezwaar van 27 mei 2014 heeft de Svb het besluit van 22 mei 2013 gehandhaafd, waarbij verzoeker over het jaar 2003 voor 21% schuldig nalatig is verklaard, omdat verzoeker een nog openstaande schuld aan de belastingdienst over 2003 ten bedrage van € 203,- niet betaald zou hebben. Tegen het besluit van 27 mei 2014 heeft verzoeker beroep ingesteld.
2.1.
Gedurende de behandeling van het beroep heeft de Svb op 11 juli 2014 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van
22 mei 2013 alsnog gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Verzoeker wordt niet meer schuldig nalatig geacht.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat de Svb met het besluit van 11 juli 2014 geheel tegemoet is gekomen aan wat verzoeker met het beroep kon bereiken, waardoor er geen procesbelang meer is. De rechtbank heeft voorts overwogen dat van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken. Verzoeker heeft in deze procedure geen gebruik gemaakt van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de gestelde reis- en verletkosten zijn niet onderbouwd.
3. Verzoeker heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn. De besluiten van de Svb zijn een gevolg van problemen die in 2003 met onder meer de toenmalige werkgever en de belastingdienst zijn ontstaan. Verzoeker heeft wel degelijk kosten, waaronder advocaat-, reis- en verletkosten, moeten maken om uiteindelijk niet meer schuldig nalatig te worden geacht.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2.
Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
4.4.
In hoger beroep is tussen partijen uitsluitend in geschil de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.
4.5.
In artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald dat een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking kan hebben op de in dit artikel genoemde kosten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat van dergelijke kosten niet is gebleken. Verzoeker heeft in alle fasen van de procedure in persoon geprocedeerd. De door verzoeker opgegeven advocaatkosten hebben geen betrekking op de onderhavige procedure die uitsluitend ziet op de schuldig nalatig verklaring. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat sprake is van gemaakte reis- dan wel verletkosten. Ook in hoger beroep heeft verzoeker zijn stelling niet nader onderbouwd.
4.6.
Met betrekking tot de stelling dat verzoeker in bezwaar reiskosten heeft moeten maken om de hoorzitting bij te kunnen wonen wordt geoordeeld dat artikel 7:15, tweede lid, van de Awb - voor zover hier van belang - bepaalt dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende. Het derde lid van artikel 7:15 van Pro de Awb bepaalt dat het verzoek wordt gedaan voordat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. Niet is gebleken dat verzoeker zijn verzoek heeft gedaan voordat op het bezwaar werd beslist. Dit betekent dat er geen ruimte bestaat voor inwilliging van het verzoek.
4.7.
Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2014.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) I. Mehagnoul

MK