ECLI:NL:CRVB:2014:3737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand als alleenstaande met toeslag. Na melding dat A bij hem kwam wonen, constateerde de gemeente dat deze wijziging niet correct was verwerkt en startte een onderzoek. Dit leidde tot een herziening van de bijstand met korting en verlaging van de toeslag, gevolgd door intrekking en terugvordering van bijstand over een langere periode wegens gezamenlijke huishouding.
Appellant voerde aan dat A vanaf september 2012 niet meer zijn hoofdverblijf had, maar de Raad oordeelde dat de feitelijke woonsituatie doorslaggevend is en dat appellant dit niet aannemelijk maakte. Tevens werd geoordeeld dat appellant de inlichtingenverplichting schond door pas op 4 mei 2012 melding te maken van de samenwoning.
De Raad verwierp het beroep op de zesmaanden jurisprudentie en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank die het beroep van appellant grotendeels afwees. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant en A een gezamenlijke huishouding voeren en dat de intrekking en terugvordering van bijstand terecht is wegens schending van de inlichtingenverplichting.