ECLI:NL:CRVB:2014:3698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken bankafschriften
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet de gevraagde bankafschriften van rekeningen van zijn zus en zwager overlegd had, waarvoor hij een machtiging had. Appellant stelde dat de machtiging was beëindigd en hij geen toegang had tot de afschriften.
De Raad stelde vast dat de bankrekeningen niet op naam van appellant stonden en dat hij geen transacties had verricht op deze rekeningen. Volgens vaste rechtspraak is het niet zonder meer aan te nemen dat appellant over dit vermogen kon beschikken. Daarom waren de gevraagde bankafschriften niet noodzakelijk voor de vaststelling van het recht op bijstand.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond had verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd terugverwezen zodat het college alsnog op de aanvraag kan beslissen.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd en het college moet alsnog op de aanvraag beslissen.