ECLI:NL:CRVB:2014:3673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- M.C.D. Embregts
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens handel in nepdrugs
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB vanaf maart 2008. Naar aanleiding van politie-informatie over frequente aanhoudingen wegens handel in op verdovende middelen gelijkende stoffen, voerde de sociale recherche een onderzoek uit. Dit leidde tot het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om de bijstand over bepaalde periodes in 2009 en 2011 in te trekken en de kosten van bijstand terug te vorderen.
Appellant betwistte in hoger beroep de handel in (nep)drugs in november 2011, met het argument dat het proces-verbaal van de politie niet voldoende was voor een veroordeling in strafrechtelijke zin. De Raad oordeelde dat het bestuursrechtelijk oordeel niet gebonden is aan het strafrechtelijk vonnis en dat de erkenning van appellant tijdens het verhoor en de politiegegevens voldoende grond vormen om de intrekking en terugvordering te handhaven.
De Raad concludeerde dat appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting handelde en dat het recht op bijstand over de betreffende periode niet kan worden vastgesteld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens handel in nepdrugs en niet-melding daarvan.