ECLI:NL:CRVB:2014:3636
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in sociale zekerheidsprocedure
Verzoeker stelde een schadevergoeding te vorderen wegens overschrijding van de redelijke termijn in de behandeling van zijn bezwaar- en beroepsprocedure tegen het UWV. De Raad had eerder vastgesteld dat de totale procedure van ontvangst bezwaarschrift tot uitspraak rechtbank ruim vijf jaar en negen maanden duurde, waarbij de eerste fase bij de rechtbank geen overschrijding kende.
Het UWV erkende een overschrijding van bijna anderhalf jaar in de bezwaarfase en bood een vergoeding van € 1.500,- aan. De Staat erkende de overschrijding in de tweede fase bij de rechtbank, die ruim vijf maanden te lang duurde, en werd veroordeeld tot een vergoeding van € 500,-.
Daarnaast werden zowel het UWV als de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, elk voor de helft van € 243,50. De Raad sloot het onderzoek zonder zitting en deed de uitspraak op 7 november 2014.
Deze beslissing benadrukt de verantwoordelijkheid van bestuursorganen en de Staat voor tijdige behandeling van procedures en bevestigt het recht op immateriële schadevergoeding bij overschrijding van redelijke termijnen volgens artikel 6 EVRM Pro.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van respectievelijk € 1.500,- en € 500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, plus betaling van proceskosten.