ECLI:NL:CRVB:2014:3635
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens voortgezet ondernemerschap ondanks overdracht
Appellant startte begin 2011 een onderneming en vroeg bijstand aan op grond van de WWB en het Bbz 2004. Het college verleende bijstand onder de voorwaarde dat appellant zijn zelfstandige activiteiten uiterlijk 30 juni 2012 zou beëindigen, omdat het bedrijf als niet-levensvatbaar werd beoordeeld.
Appellant gaf aan uitstel nodig te hebben voor de overdracht van zijn bedrijf aan een opvolgend eigenaresse. Hij verklaarde per 1 juli 2012 te zijn gestopt met zijn onderneming en vroeg opnieuw bijstand aan. Het college wees deze aanvraag af omdat uit onderzoek bleek dat appellant nog steeds werkzaamheden verrichtte voor zijn voormalige bedrijf.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij zijn werkzaamheden had gestaakt, mede gelet op de aanwezigheid van opgeslagen goederen, reclameactiviteiten en registratie van bedrijfsvoertuigen op zijn naam. Ook bleek uit verklaringen van de opvolgend eigenaresse dat de feitelijke overdracht nog niet was afgerond.
De Raad vond dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat medische problemen hem verhinderden de overdracht tijdig te regelen. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag gehandhaafd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat hij zijn werkzaamheden voor zijn voormalige bedrijf had beëindigd.