ECLI:NL:CRVB:2014:3620
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens overschrijding wettelijke vakantieperiode zonder zeer dringende redenen
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en kreeg toestemming voor verblijf in het buitenland van 10 juli tot 3 augustus 2012. Het college stelde vast dat zij zich na deze periode niet had teruggemeld en trok de bijstand per 9 augustus 2012 in wegens overschrijding van de wettelijk toegestane vakantieperiode van vier weken.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat de diefstal van haar paspoort en de ziekte van haar zoontje zeer dringende redenen vormden die het langer verblijf in het buitenland rechtvaardigden. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat deze omstandigheden niet voldeden aan de criteria voor zeer dringende redenen zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, WWB.
De Raad benadrukte dat voor zeer dringende redenen sprake moet zijn van een acute noodsituatie die levensbedreigend is of blijvend ernstig letsel kan veroorzaken, en dat de situatie niet op andere wijze kan worden verholpen. Appellante kon dit niet aantonen, waardoor het beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens overschrijding van de wettelijke vakantieperiode zonder zeer dringende redenen wordt bevestigd.