Uitspraak
mr. J.E. Koedood.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van haar AWBZ-indicatie voor persoonlijke verzorging en begeleiding. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) stelde een indicatie vast, maar wijzigde deze later door de aanspraak op begeleiding en persoonlijke verzorging te beëindigen, omdat er een voorliggende behandeling is en appellante zich zelfstandig kan verzorgen. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende onderzoek, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel beperkingen heeft en dat haar psychische klachten zijn uitbehandeld, onderbouwd met een brief van haar behandelend arts. De Raad overwoog dat de medisch adviseur van CIZ voldoende heeft gemotiveerd dat appellante zelfzorg kan verrichten en dat de behandeling niet volledig was afgerond. De brief van de behandelend arts was onvoldoende onderbouwd om dit te weerleggen.
De Raad verwierp ook het betoog dat de termijn van zes weken te kort was om zich onder behandeling te stellen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellante geen aanspraak heeft op begeleiding en persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen aanspraak heeft op begeleiding en persoonlijke verzorging op grond van de AWBZ.