ECLI:NL:CRVB:2014:3391

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 oktober 2014
Publicatiedatum
17 oktober 2014
Zaaknummer
13-3298 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WWBArt. 17 WWBArt. 11 WWBArt. 12 WWBArt. 13 WWB
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en geen overmacht

Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en gaf aan geen inkomsten te hebben, terwijl haar partner in detentie was en het bedrijf door diens broer werd voortgezet. Het college wees de aanvraag af omdat appellante niet de benodigde financiële gegevens van het bedrijf verstrekte, waardoor niet kon worden vastgesteld of zij recht had op bijstand.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. Appellante voerde aan dat zij door gebrekkige medewerking van de broer van haar partner niet over alle gegevens kon beschikken (overmacht), maar dit werd verworpen omdat zij gehuwd was en rekening gehouden moest worden met de middelen van haar echtgenoot.

Ook het beroep op zeer dringende redenen werd afgewezen omdat de afwijzing gebaseerd was op het niet nakomen van de inlichtingenverplichting en niet op inhoudelijke beoordeling van het recht op bijstand. De Raad oordeelde dat de omstandigheden van de meerderjarige dochter geen rol spelen bij de beoordeling van het recht op bijstand van appellante en haar minderjarige kinderen.

De Raad concludeerde dat appellante niet had voldaan aan haar verplichtingen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens schending van de inlichtingenverplichting zonder overmacht.

Uitspraak

13/3298 WWB
Datum uitspraak: 14 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
8 mei 2013, 12/4073 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.E. Jacobs, kantoorgenoot van mr. Van Dijk, en
[naam]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft zich op 26 april 2012 gemeld bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Zij heeft op 3 mei 2012 het aanvraagformulier ondertekend. Hierbij heeft zij vermeld dat zij een eigen bedrijf heeft, genaamd [bedrijf](bedrijf), dat haar partner in het buitenland is gedetineerd en dat zij geen inkomsten heeft. De partner van appellante is eigenaar van het bedrijf. Tijdens zijn detentie zijn de werkzaamheden in het bedrijf voortgezet door zijn broer,[naam broer] (A).
1.2.
Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 29 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellante heeft nagelaten om - zoals op haar weg lag - gegevens te verstrekken op grond waarvan de financiële geldstroom van het bedrijf inzichtelijk zou worden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, zodat de aanvraag terecht is afgewezen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 26 april 2012 tot en met 7 augustus 2012.
4.2.
Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de aanvrager niet aan deze wettelijke inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft.
4.3.
Niet in geschil is dat inzicht in de financiële gegevens van het bedrijf van belang is om het recht op bijstand van appellante te kunnen beoordelen. Voorts is niet in geschil dat appellante niet alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt.
4.4.
Appellante betwist dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Zij stelt dat sprake is van overmacht. Naar zij ter zitting heeft toegelicht, kon zij door een gebrekkige medewerking van de zijde van A redelijkerwijs niet over alle benodigde gegevens beschikken. Hierdoor kan haar niet worden tegengeworpen dat zij aan het college niet alle gegevens heeft kunnen verstrekken.
4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Nu appellante in de te beoordelen periode gehuwd was, moet bij de beoordeling van haar recht op bijstand rekening worden gehouden met de middelen van haar niet-rechthebbende echtgenoot. Het niet kunnen beschikken over de hiermee samenhangende financiële gegevens moet, gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, voor risico van appellante komen. Hieruit volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting.
4.6.
Appellante heeft voorts een beroep gedaan op zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Naar appellante heeft gesteld, kunnen haar kinderen zich als gevolg van de nijpende situatie niet goed ontwikkelen en is sprake van zeer dringende redenen. Appellante heeft in dit verband betoogd dat bij het niet verstrekken van de bijstand in een schrijnende situatie als de onderhavige, waarbij haar dochter haar HBO-studie heeft moeten onderbreken om noodzakelijke inkomsten te kunnen verwerven voor het gezin, het belang van de maatschappij boven dat van de kinderen wordt gesteld, hetgeen niet de bedoeling kan zijn.
4.7.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De aanvraag van appellante is afgewezen op de grond dat, als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting, het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarmee is in dit geval niet vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat op grond van het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 15 van de WWB, zodat artikel 16, eerste lid, van de WWB al daarom toepassing mist. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van 30 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BH0396 en 27 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH2381. Los hiervan kunnen de omstandigheden van de meerderjarige dochter van appellante geen rol spelen bij het beoordelen van het recht op bijstand van appellante en de minderjarige kinderen die tot haar gezin behoren. Deze dochter behoort immers niet tot het gezin waarop de aanvraag om bijstand betrekking heeft.
4.8.
Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) T.A. Meijering

HD