ECLI:NL:CRVB:2014:3268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens verwijtbaar niet nakomen arbeidsinschakelingsverplichtingen
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en was verplicht tot arbeidsinschakeling. Hij werd aangesteld als aankomend werknemer op basis van een werkervaringsovereenkomst, die voortijdig werd beëindigd. Het college van burgemeester en wethouders van Zwolle verlaagde daarop de bijstand met 20% voor de periode juni-juli 2012 vanwege het gedrag van appellant dat leidde tot het voortijdig beëindigen van de werkervaringsplaats. Tevens werd de bijstand met 10% verlaagd voor augustus 2012 omdat appellant zonder bericht niet was verschenen op een uitnodiging voor een gesprek.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond, en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat hem geen verwijt treft en dat het opleggen van een maatregel onterecht is. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het voortijdig beëindigen van de werkervaring niet aan hem te verwijten is. Zijn late en vage communicatie met de werkgever en het nalaten om het tij te keren, rechtvaardigen de maatregel.
Ook het niet verschijnen op de afspraak zonder bericht was verwijtbaar, temeer daar appellant tijdig was uitgenodigd en uitdrukkelijk op de oproep was gewezen. De Raad verwierp de stellingen van appellant over het te laat ontvangen van de brief en het over het hoofd zien van de oproep in het besluit. Gelet op deze verwijtbaarheid was het college gehouden de bijstand te verlagen conform de verordening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand wegens verwijtbaar niet nakomen van arbeidsinschakelingsverplichtingen wordt bevestigd.