ECLI:NL:CRVB:2014:3027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Beuker-Tilstra
- C.H. Bangma
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Geen compensatie voor verlies van voorwaardelijk ouderdomspensioen na ontslag bij Defensie
Appellant, werkzaam bij het ministerie van Defensie sinds 1969, kreeg op 1 september 2011 eervol ontslag wegens overtolligheid met toepassing van het Sociaal Beleidskader Defensie 2004 (SBK 2004). Vooraf werd hij door het ABP geïnformeerd over de gevolgen van het ontslag voor zijn ouderdomspensioen, waaronder een structurele korting van circa 25% vanwege het niet in aanmerking komen voor het voorwaardelijk pensioen.
Appellant maakte bezwaar tegen het ontslagbesluit vanwege de pensioenschade, maar dit werd door de minister afgewezen wegens gebrek aan procesbelang. De rechtbank oordeelde echter dat appellant wel procesbelang had en vernietigde het besluit. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar ongegrond, waarbij werd benadrukt dat het SBK 2004 geen voorziening biedt voor compensatie van het pensioenverlies en dat appellant de consequenties kende en het ontslag zonder nadere voorwaarden accepteerde.
De rechtbank bevestigde dat de minister het verzoek om compensatie in redelijkheid mocht afwijzen. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant voldoende geïnformeerd was over de financiële gevolgen, dat geen sprake was van dwang of misleiding, en dat de minister redelijk heeft gehandeld door geen verdere compensatie te bieden. Ook het feit dat appellant tot zijn 65e jaar wachtgeld ontving dat voor 50% meetelt voor pensioenopbouw, werd meegewogen.
De Raad erkende de frustraties van appellant over zijn dienstverband, maar vond dit geen grond voor aanvullende compensatie. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en appellant krijgt geen compensatie voor het verlies van het voorwaardelijk ouderdomspensioen.