ECLI:NL:CRVB:2014:2950
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken geldig verblijfsdocument
Appellanten, Iraakse vreemdelingen met drie minderjarige kinderen, ontvingen bijstand op grond van de WWB vanaf 12 december 2007. Hun verblijfsvergunningen asiel werden op 2 mei 2011 ingetrokken, en op 23 december 2011 werd dit door de rechtbank bevestigd. Het dagelijks bestuur trok de bijstand per die datum in en vorderde € 11.099,39 terug voor de periode tot 1 september 2012.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat het COA niet bevoegd was over de continuering van bijstand te oordelen en dat het belang van de kinderen onvoldoende was meegewogen, waarbij zij verwezen naar het EVRM en IVRK. De Raad stelde vast dat geen beroepsgronden waren aangevoerd tegen de intrekking zelf, maar alleen tegen de verdragsrechtelijke aspecten.
De Raad oordeelde dat appellanten geen vreemdelingen meer waren in de zin van artikel 11 WWB Pro en dat artikel 16 WWB Pro van toepassing was, waardoor bijstand geweigerd kon worden. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro faalde omdat deze bepalingen niet rechtstreeks van toepassing zijn in deze context. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de terugvordering wegens het ontbreken van een geldig verblijfsdocument.