ECLI:NL:CRVB:2014:2559
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet naleven inlichtingenplicht en niet aannemelijk maken woon- en inkomenssituatie
Appellant vroeg op 9 februari 2012 bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van zijn verklaringen over inkomsten startte de sociale recherche een onderzoek, inclusief een huisbezoek op het opgegeven adres. Tijdens dit huisbezoek werden weinig persoonlijke bezittingen aangetroffen, wat leidde tot twijfel over zijn daadwerkelijke verblijf aldaar.
Het college wees de aanvraag af omdat appellant niet aan zijn inlichtingenplicht voldeed en het recht op bijstand daardoor niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geen hoofdverblijf had op het opgegeven adres en zijn woon- en inkomenssituatie onvoldoende aannemelijk maakte.
Appellant voerde aan dat de geringe huisraad verklaard kon worden door omstandigheden zoals het wassen van kleding door zijn moeder en het gebruik van een supermarkt van zijn broer. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant niet voldeed aan zijn bewijslast en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De toekenning van bijstand op een later moment betrof een andere situatie na nieuw onderzoek.
De Raad concludeerde dat het college terecht de aanvraag afwees vanwege schending van de inlichtingenplicht en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt op het opgegeven adres te wonen en niet voldeed aan zijn inlichtingenplicht.