ECLI:NL:CRVB:2014:247
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering AOR en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Appellante, geboren in 1939 in Nederlands-Indië, verzocht in 2004 om aanspraken op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Psychische klachten werden erkend als oorlogsletsel, maar een uitkering werd geweigerd wegens gebrek aan arbeidsongeschiktheid. In 2011 vroeg zij opnieuw een periodieke uitkering aan, welke werd afgewezen en waarvan het bezwaar ongegrond werd verklaard.
De Raad beoordeelde dat appellante met het verzoek van 2011 een eerdere afwijzing wilde herzien, maar dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren zoals bedoeld in artikel 42 AOR Pro die een andere beslissing zouden rechtvaardigen. Argumenten waren reeds eerder aangevoerd of hadden dat kunnen zijn. Het beroep werd daarom afgewezen.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de bestuursrechtelijke procedure langer dan de redelijke termijn had geduurd, met name de bestuursfase. Gezien de overschrijding kende de Raad appellante een immateriële schadevergoeding van €500 toe. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens strijd met artikel 6 EVRM Pro, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Verweerster werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Beroep afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten, maar schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding.