Appellante ontvangt sinds 2008 bijstand naast een WAO-uitkering. In 2013 maakte zij bezwaar tegen een uitkeringsspecificatie waarin een bedrag van €93,55 werd ingehouden vanwege een openstaande vordering. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond, maar trok dit besluit later in en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, omdat de inhouding geen besluit in de zin van de Awb zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het nadere besluit ongegrond en het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk, maar wees een proceskostenveroordeling af. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit laatste oordeel en veroordeelt het college alsnog tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
De Raad overweegt dat de inhouding een herhaling is van een eerder genomen besluit en geen nieuw besluit vormt, zodat bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie niet mogelijk is. De stelling van appellante dat sprake is van wijziging van omstandigheden door beslag op haar WAO-uitkering leidt niet tot een ander oordeel. Ook het verzoek om herziening faalt omdat dit niet expliciet is gemaakt.
De Raad bevestigt de ongegrondverklaring van het beroep tegen het nadere besluit en veroordeelt het college tot betaling van €1.948,- aan proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.