ECLI:NL:CRVB:2014:2218
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende toekenning hulp bij het huishouden onder Wmo
Appellant, lijdend aan schizofrenie, vroeg terugwerkende hulp bij het huishouden op grond van de Wmo voor de periode van 26 augustus 2011 tot en met 25 augustus 2014. Het college kende de hulp toe vanaf 26 augustus 2011, maar wees een eerdere terugwerkende toekenning af vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden en onduidelijkheden over de feitelijke woonsituatie.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het aan appellant en zijn vader was om tijdig een nieuwe aanvraag in te dienen en dat de omstandigheden rondom de indicatie en het pgb geen rechtvaardiging boden voor terugwerkende kracht. Appellant voerde aan dat de situatie hectisch was en dat het college had moeten herinneren aan de einddatum van de eerdere indicatie.
De Raad oordeelde dat het college niet verplicht was tot een herinnering en dat de verantwoordelijkheid voor tijdige aanvraag bij appellant lag. Ook was onvoldoende inzicht gegeven in de omvang en duur van de hulp bij het huishouden in de periode tussen indicaties. De Raad vond geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule en bevestigde de eerdere uitspraak.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht geen terugwerkende hulp bij het huishouden toekent vanwege onduidelijkheden en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.