ECLI:NL:CRVB:2014:2077
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en maatregel bij schending inlichtingenverplichting WWB
Appellant diende op 30 december 2011 een aanvraag bijstand in volgens de WWB. Na een IB-signaal bleek dat appellant in januari 2012 inkomsten had verdiend zonder dit te melden, wat leidde tot herziening en terugvordering van de bijstand over die periode.
Het college legde daarnaast een maatregel op van 30% verlaging van de bijstand gedurende een maand wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. Appellant voerde aan te goeder trouw te hebben gehandeld en geen intentie te hebben gehad tot verzwijging.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting reeds rustte vanaf het moment van aanvraag en dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn werkzaamheden van invloed waren op het recht op bijstand. Het betoog dat hij het toekenningsbesluit niet had ontvangen werd verworpen.
De herziening en terugvordering waren terecht op grond van de WWB en de maatregel was passend gezien de ernst van de schending. Er was geen reden om af te zien van de maatregel. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.