ECLI:NL:CRVB:2014:2039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellanten, ongehuwd en woonachtig op hetzelfde adres sinds 2004, ontvingen aanvankelijk elk een AOW-pensioen als ongehuwden. Na een herhalingsonderzoek in 2011 concludeerde de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, waarop het pensioen werd herzien naar het gehuwdenpensioen en te veel ontvangen bedragen werden teruggevorderd.
Appellanten maakten bezwaar tegen deze besluiten, stellende dat niet aan het zorgcriterium was voldaan. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat, ondanks nuances in verklaringen, de feitelijke omstandigheden zoals gezamenlijke betaling van hypotheek, verzekeringen, huishoudelijke taken en zorg bij ziekte voldoende bewijs vormen voor wederzijdse zorg.
De Raad benadrukte dat de beoordeling van gezamenlijke huishouding op objectieve criteria berust en niet op motieven of aard van de relatie. De notariële akte waarin het recht op bewoning voor de langstlevende is vastgelegd, werd ook als zorgvoorziening aangemerkt. Het hoger beroep werd verworpen en de herziening van het AOW-pensioen bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg.