ECLI:NL:CRVB:2014:2024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-woonachtig zijn op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en gaf aan vanaf juni 2010 op een specifiek adres woonachtig te zijn, waarop de toeslag werd verhoogd. Naar aanleiding van een melding van de woningbouwvereniging startte het bestuur een onderzoek naar de feitelijke bewoning van het uitkeringsadres. Diverse huisbezoeken, buurtverklaringen en verbruiksgegevens van water en elektriciteit wezen uit dat appellant niet daadwerkelijk op het adres woonde.
Het bestuur trok de bijstand met ingang van 1 januari 2012 in, later aangepast naar 16 januari 2012. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat appellant onjuiste opgaven had gedaan over zijn hoofdverblijf. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad vond de lage verbruiksgegevens en het ontbreken van persoonlijke bezittingen in de woning overtuigend bewijs dat appellant niet woonde op het uitkeringsadres.
De Raad verwierp de stellingen van appellant en zijn gemachtigde dat de verbruiksgegevens onjuist zouden zijn en wees erop dat latere toekenning van bijstand op hetzelfde adres niet relevant was voor de bestreden periode. De intrekking van de bijstand werd daarmee terecht geacht en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd.