ECLI:NL:CRVB:2014:1734

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 mei 2014
Publicatiedatum
21 mei 2014
Zaaknummer
13-6460 WAJONG-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:108 lid 1 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep Wajong-uitkering

De appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland inzake een Wajong-uitkering. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald.

Namens appellant werd verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. In het verzet is komen vast te staan dat appellant niet in verzuim was met de betaling van het griffierecht.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het verzet gegrond, waardoor de eerdere uitspraak van 28 maart 2014 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 mei 2014.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het onderzoek wordt voortgezet; de niet-ontvankelijkverklaring wordt vernietigd.

Uitspraak

Datum uitspraak: 16 mei 2014
13/6460 WAJONG-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 november 2013, 13/2140 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 28 maart 2014 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Namens appellant heeft C.M.H. van der Velden-Bentvelsen verzet gedaan.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 28 maart 2014 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 27 januari 2014 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet is gebleken dat appellant niet in verzuim is geweest. Het verzet is daarom gegrond.
Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 28 maart 2014 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2014.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) J.A. Achterberg

JL