ECLI:NL:CRVB:2014:1585

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2014
Publicatiedatum
8 mei 2014
Zaaknummer
13-2786 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbWet burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden

Appellant, erkend als burger-oorlogsslachtoffer op grond van psychische invaliditeit, had een vergoeding voor huishoudelijke hulp. Hij vroeg om uitbreiding van deze hulp van twee naar vier dagdelen per week, maar dit verzoek werd afgewezen door de Sociale verzekeringsbank. Appellant maakte bezwaar, maar diende dit te laat in, met als reden het rouwproces na het overlijden van zijn echtgenote.

De Raad oordeelde dat de termijn voor bezwaaroverschrijding was overschreden en dat de opgegeven reden geen aanvaardbare verschoonbare oorzaak vormde volgens artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Ondanks de begrijpelijkheid van de situatie was appellant niet verhinderd om tijdig bezwaar te maken, eventueel met hulp van derden.

Daarom werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 mei 2014.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

13/2786 WUBO
Datum uitspraak: 8 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 april 2013, kenmerk BZ01598174 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de
Wet burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Daar is appellant, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant, geboren in 1927, is op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Aan hem is in 2011 een vergoeding toegekend voor twee dagdelen huishoudelijke hulp per week.
1.2.
Bij vervolgaanvraag van november 2012 heeft appellant verzocht om uitbreiding van de huishoudelijk hulp van twee naar vier dagdelen per week.
1.3.
Bij besluit van 11 februari 2013 heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt bij e-mailbericht van 4 april 2013. Daarmee is de wettelijke termijn om bezwaar te maken overschreden. Als reden voor deze termijnoverschrijding heeft appellant aangegeven dat hij door het rouwproces, waarin hij na het overlijden van zijn echtgenote op 25 januari 2013 verkeerde, het indienen van een bezwaarschrift steeds heeft uitgesteld. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant geen verontschuldigbare reden voor de termijnoverschrijding heeft opgegeven.
2.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Vaststaat dat de termijn voor het maken van bezwaar is overschreden. Om deze reden dient de niet-ontvankelijkheid te worden uitgesproken tenzij blijkt van een aanvaardbare reden voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Evenals verweerder is de Raad van oordeel dat de door appellant opgegeven oorzaak van de termijnoverschrijding niet een aanvaardbare reden is voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. Hoe ingrijpend en invoelbaar de door appellant genoemde omstandigheden ook zijn, niet is gebleken dat hij buiten staat was om - zo nodig met behulp van een ander - zorg te dragen voor tijdige indiening van een bezwaarschrift. Verweerder heeft het bezwaar dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.2.
Gezien het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.
3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) B. Rikhof

HD