ECLI:NL:CRVB:2014:1584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2014
Publicatiedatum
8 mei 2014
Zaaknummer
13-270 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 17 BeroepswetWet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682)
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening bestuursrechtelijke uitspraak sociale zekerheidsrecht

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek ingediend tot herziening van een eerdere uitspraak van 20 januari 2011. Het verzoek betrof aanspraken op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, waarbij verzoeker stelde dat zijn invaliderende psychische klachten sinds 1976 bestonden.

De Raad heeft het verzoek behandeld en beoordeeld aan de hand van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat stelt dat herziening alleen mogelijk is indien er feiten of omstandigheden zijn die vóór de uitspraak hebben plaatsgevonden, niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn bij de indiener, en die bij bekendheid tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.

De Raad heeft geconcludeerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aan deze cumulatieve voorwaarden voldoen. De Raad heeft eerder vastgesteld dat de causale invaliditeit pas in mei 2008 is gebleken, en dat verzoeker met het huidige verzoek een hernieuwde discussie wil voeren op basis van reeds bekende gegevens.

Daarom is het verzoek om herziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in aanwezigheid van griffier B. Rikhof, en uitgesproken op 8 mei 2014.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de eerdere uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden die aan de wettelijke voorwaarden voldoen.

Uitspraak

13/270 WUBO
Datum uitspraak: 8 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 20 januari 2011, 10/940 WUBO
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft om herziening verzocht van eerder genoemde uitspraak, naar welke uitspraak wordt verwezen.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 27 maart 2014. Daar is verzoeker verschenen, bijgestaan door mr. drs. H.N. Broekzitter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.
Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2013.
2.1.
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 17 van Pro de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2.
Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheden als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
3.1
Aan het verzoek om herziening heeft verzoeker in essentie ten grondslag gelegd dat hij vanaf 1976 aanspraken wil ontlenen aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 omdat vanaf die tijd zijn psychische klachten invaliderend tot uiting zijn gekomen.
3.2.
In hetgeen namens verzoeker bij het verzoek om herziening uitvoerig is aangevoerd heeft de Raad geen feiten of omstandigheden kunnen ontdekken die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van Pro de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden. De Raad heeft al meermalen in zijn uitspraken bevestigd dat van een causale invaliditeit niet eerder is gebleken dan in mei 2008. Er moet dan ook worden vastgesteld dat verzoeker met het onderhavige verzoek beoogd heeft op basis van al bekende gegevens een - bij het rechtsmiddel van herziening niet passende - hernieuwde discussie te voeren.
3.3.
Het verzoek om herziening moet dan ook worden afgewezen.
4.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) B. Rikhof
JvC