ECLI:NL:CRVB:2014:1581
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum van verhoogde uitkering op grond van de Wuv
Appellant, een uitkeringsgerechtigde op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), heeft in augustus 2012 verzocht om herziening van zijn periodieke uitkering. De Sociale verzekeringsbank heeft dit verzoek ingewilligd en de uitkering met ingang van 1 augustus 2012 opnieuw vastgesteld. Appellant maakte bezwaar tegen de ingangsdatum van de verhoging, stellende dat deze eerder had moeten ingaan.
De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat artikel 59a, tweede lid, van de Wuv dwingend voorschrijft dat een hernieuwde vaststelling van de uitkering ingaat op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend. Dit betekent dat een eerdere ingangsdatum niet mogelijk is. Het feit dat appellant niet eerder op de hoogte was van de mogelijkheid tot herziening en eerdere mededelingen hierover had gemist, doet hieraan niet af.
De Raad verklaart het beroep van appellant ongegrond en bevestigt daarmee de beslissing van de Sociale verzekeringsbank. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de verhoogde uitkering blijft 1 augustus 2012.