ECLI:NL:CRVB:2014:1577

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 mei 2014
Publicatiedatum
8 mei 2014
Zaaknummer
13-1579 WUBO
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wubo
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toekenning Wubo wegens ontbreken extreem geweld door Japanse bezetter

Appellant, geboren in 1929 in Nederlands-Indië, verzocht in 2011 om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Verweerder wees dit verzoek af omdat het meemaken van gewelddadige ondervragingen tijdens de Bersiap-periode niet onder de Wubo valt, mede omdat appellant destijds militaire status had.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de mishandelingen die appellant als tolk in burgerdienst bij de Mariniersbrigade getuige was, niet door of namens de Japanse bezettende macht waren gepleegd. Bovendien was appellant niet op jeugdige leeftijd (17 jaar of jonger) met dit geweld geconfronteerd. Ook was er geen bevestiging van directe betrokkenheid bij beschietingen.

De Raad concludeerde dat geen sprake was van handelingen vergelijkbaar met extreem geweld door de Japanse bezetter, en dat de vrees voor represailles door Indonesische autoriteiten niet onder de Wubo valt. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wubo-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
In het geding tussen:
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak 8 mei 2014

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 februari 2013, kenmerk BZ01488052 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2014. Namens appellant is verschenen mr. Schenkhuizen, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 1929 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. In augustus 2011 heeft hij verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Hierop heeft verweerder afwijzend beslist bij besluit van 25 april 2012 op de grond dat het meemaken van gewelddadige ondervragingen van Indonesische militairen tijdens de Bersiap-periode niet onder de werking van de Wubo valt, omdat appellant destijds de militaire status bezat.
1.2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat de mishandelingen bij het verhoren van gevangenen, waarvan appellant als Employee Speciale Diensten in burgerdienst van de mariniersbrigade getuige is geweest, niet zijn gepleegd door of namens de bezettende macht en dat appellant hiermee niet op jeugdige leeftijd is geconfronteerd, dat wil zeggen 17 jaar of jonger. Verder is geen bevestiging verkregen van deze gebeurtenis. Ten aanzien van de in bezwaar nog naar voren gebrachte beschietingen is geen bevestiging verkregen van de directe betrokkenheid van appellant daarbij.
2.
Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.
2.1.
Bij de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder f en d, van de Wubo is blijkens de Memorie van Toelichting bij de totstandkoming van dit artikel de leeftijdgrens van 17 jaar of jonger uitdrukkelijk genoemd. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (ECLI:NL:CRVB:2011:BRO126) ziet deze bepaling verder niet op de situatie waarin het extreme geweld werd gepleegd door Nederlandse militairen. Appellant was als tolk in burgerdienst bij de Mariniersbrigade. Het geweld was dus niet afkomstig van de tegenpartij. Daarmee is geen sprake van handelingen die vergelijkbaar zijn met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter. Dat appellant door zijn werk als tolk moest vrezen voor represailles van de kant van de Indonesische autoriteiten valt evenmin onder de werking van artikel 2 van Pro de Wubo. Niet is gebleken dat appellant als tolk daadwerkelijk werd bedreigd.
2.2.
Dat appellant direct betrokken is geweest bij beschietingen tijdens patrouilles is niet bevestigd. Dat er in het gebied waar appellant zich bevond veel beschietingen van patrouilles plaatsvonden in die periode biedt onvoldoende grondslag om directe betrokkenheid van appellant bij die beschietingen aannemelijk te achten. Overigens blijkt ook uit het relaas van appellant over die beschietingen niet van de voor toepasselijkheid van de Wubo vereiste directe betrokkenheid.
3.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
4.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) B. Rikhof
JvC