ECLI:NL:CRVB:2014:1575
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945
Appellant, geboren in 1936 in Nederlands-Indië, heeft meerdere aanvragen ingediend voor toekenningen op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvragen zijn telkens afgewezen omdat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo.
De Raad beoordeelt dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot herziening van de eerdere besluiten. De getuigenverklaringen bevestigen weliswaar de onthoofding van zijn vader en een aanval op een theeonderneming, maar deze gebeurtenissen voldoen niet aan de wettelijke criteria van oorlogsgeweld. Zo was appellant niet direct getuige van de onthoofding en vond de aanval plaats na de soevereiniteitsoverdracht van Nederlands-Indië.
Ook het zien vermoorden van pemoeda’s door een Nederlandse militair valt niet onder de Wubo, omdat het geweld niet door de vijandelijke bezetter is gepleegd. De Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst erop dat de Wubo een beperkte strekking heeft die specifiek omschreven oorlogservaringen vereist. De medische klachten van appellant worden niet in behandeling genomen omdat aan de wettelijke criteria niet is voldaan.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Wubo wordt ongegrond verklaard.