ECLI:NL:CRVB:2014:1527

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 mei 2014
Publicatiedatum
6 mei 2014
Zaaknummer
12-6719 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WWBArt. 15 WWBArt. 35 WWBZorgverzekeringswetBesluit Zorgverzekering
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand tandartskosten wegens onvoldoende aanvullende verzekering

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor tandartskosten, maar het college wees dit af omdat hij zich onvoldoende aanvullend had verzekerd en daardoor geen recht had op vergoeding van de zorgverzekeraar. Het college baseerde zich op de Wet werk en bijstand (WWB) en stelde dat de Zorgverzekeringswet en het Besluit Zorgverzekering voor tandartskosten als toereikende en passende voorzieningen gelden die aan de WWB voorafgaan.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij tijdens een opleiding een mondelinge toezegging had gekregen van een docent, medewerker van de gemeentelijke Dienst Werk en Inkomen, dat bijzondere bijstand mogelijk was voor medisch noodzakelijke tandartskosten die niet door de aanvullende verzekering werden gedekt.

De Raad oordeelde dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slaagt indien een bevoegde functionaris uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen wekt. De mondelinge uitlating van de docent, gegeven in het kader van een opleiding, was geen toezegging van een bevoegde ambtenaar en er was geen besluit genomen over de aanvraag van appellant.

Daarom faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel en wordt de afwijzing van de bijzondere bijstand bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

12/6719 WWB
Datum uitspraak: 6 mei 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 november 2012, 12/1813 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hoof. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 23 december 2011 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van tandheelkundige behandelingen. Appellant heeft een basisverzekering en een aanvullende verzekering Tand bij AnderZorg.
1.2.
Bij besluit van 25 januari 2012 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat hij zich onvoldoende aanvullend heeft verzekerd tegen ziektekosten en daarom door eigen toedoen geen recht heeft op een vergoeding van zijn zorgverzekeraar. Het besluit berust op de artikelen 5, 15 en 35 van de Wet werk en bijstand (WWB).
1.3.
Bij besluit van 26 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 januari 2012 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college, voor zover hier van belang, nader toegelicht dat de Zorgverzekeringswet en het Besluit Zorgverzekering voor tandartskosten worden beschouwd als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening. Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de WWB aan bijstandsverlening voor tandartskosten in de weg staat.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat hij bij zijn opleiding tot medewerker formulierenbrigade tijdens een van de lessen heeft vernomen dat bijzondere bijstand voor tandartskosten wordt verstrekt bij medisch noodzakelijke tandartskosten die niet worden gedekt door de aanvullende tandartsverzekering. De les over bijzondere bijstand werd gegeven door een docent die tevens medewerker is van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam. Op basis van de concrete toezegging van deze docent heeft appellant bijzondere bijstand voor tandartskosten aangevraagd. Op grond van het bij appellant aldus opgewekte vertrouwen moet de gevraagde bijzondere bijstand worden verstrekt.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan of de daartoe bevoegde functionaris uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.
4.2.
Vaststaat dat de mondelinge uitlating van de docent, gedaan in het kader van een opleiding, ook als die door of onder verantwoordelijkheid van het college is georganiseerd, geen toezegging is van een tot beslissen bevoegde ambtenaar. De docent heeft ook niet beslist op een aanvraag om bijstand van appellant. Gelet op het vorenstaande wordt in dit geval niet voldaan aan de in 4.1 vermelde eisen.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2014.
(getekend) J.F. Bandringa
(getekend) S.K. Dekker

IJ