Betrokkene was sinds 1992 in dienst bij het Erasmus Universitair Medisch Centrum en werd in 2003 binnen het KWF-project geplaatst. Na het beëindigen van dit project in 2009 werd zijn functie als opgeheven beschouwd en werd hij als herplaatsingskandidaat aangemerkt. Betrokkene stelde dat zijn functie niet was opgeheven en dat de werkzaamheden werden voortgezet door een collega, maar de Raad oordeelde dat het samenstel van zijn feitelijke werkzaamheden was komen te vervallen.
Betrokkene maakte bezwaar tegen het niet (langer) blokkeren van diverse vacatures voor hem. De Raad oordeelde dat deze handelingen wel als besluiten in de zin van de Awb moesten worden gezien en vernietigde de eerdere uitspraak die dit ontkende. De Raad verklaarde het beroep tegen deze besluiten gegrond, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de vacatures inmiddels niet meer bestonden.
Tegen het ontslagbesluit wegens opheffing van zijn functie stelde betrokkene dat de raad van bestuur onvoldoende herplaatsingsinspanningen had verricht. De Raad concludeerde echter dat de raad van bestuur voldoende extra inspanningen had geleverd, zoals vrijstelling voor het schrijven van een onderzoeksvoorstel, sollicitatietraining en een outplacementbudget. Betrokkene maakte hier echter geen gebruik van en toonde een passieve houding.
De Raad verklaarde het beroep van de raad van bestuur gegrond en het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor het ontslagbesluit in stand bleef. Daarnaast werd de raad van bestuur veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en werd een vergoeding van het betaalde griffierecht toegekend.