ECLI:NL:CRVB:2014:1247

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2014
Publicatiedatum
15 april 2014
Zaaknummer
13-1676 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens griffierecht in AOW-zaken

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar dit beroep werd door de Raad van 23 augustus 2013 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

Appellant stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Bij het verzet bleek dat appellant niet in verzuim was geweest met de betaling van het griffierecht.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde daarom het verzet gegrond, waardoor de eerdere uitspraak van niet-ontvankelijkheid vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 11 april 2014
13/1676 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2013, 12/2399 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [plaatsnaam], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 23 augustus 2013 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2013 heeft appellant verzet gedaan.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 23 augustus 2013 berust op de overwegingen dat het
verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 28 mei 2013 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
In verzet is gebleken dat appellant niet in verzuim is geweest. Het verzet is daarom gegrond.
Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2013 vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet gegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van J.A. Achterberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 april 2014.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) J.A. Achterberg
IvR