ECLI:NL:CRVB:2014:1226
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet-melding van bankstortingen
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een vermoeden over de woonsituatie werd een onderzoek ingesteld, waarbij onder meer bankafschriften werden onderzocht. Het college herzag de bijstand over de periode november 2010 tot september 2011 en vorderde €3.014,26 terug wegens niet-gemelde bankstortingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde aan dat het onderzoek oneigenlijk was en dat de stortingen geen inkomsten waren, maar giften of eigen vermogen. De Raad oordeelde dat het onderzoek rechtmatig was en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de stortingen geen middelen waren als bedoeld in artikel 31 WWB Pro.
De Raad stelde vast dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door de stortingen niet te melden. Het college was daarom bevoegd de bijstand te herzien en terug te vorderen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet-melding van bankstortingen.