ECLI:NL:CRVB:2014:1169
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens hennepkwekerij en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 2008 bijstand op grond van de WWB. Medio februari 2011 werd in zijn woning een hennepkwekerij met 123 planten aangetroffen. Het college trok daarop de bijstand over de periode december 2010 tot en met februari 2011 in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van werkzaamheden in de kwekerij.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij gedwongen was de kwekerij te tolereren, geen werkzaamheden had verricht en geen inkomsten had ontvangen. De Raad verwierp deze stellingen omdat appellant geen bewijs leverde van dwang of afwezigheid van inkomsten en zelf had erkend dat er hennep was geoogst.
De Raad liet de exacte duur van de kwekerij in het midden maar stelde vast dat de activiteiten zich zeker over drie maanden uitstrekten. Omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij recht had op bijstand in die periode, was het college bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens betrokkenheid bij hennepkwekerij en schending inlichtingenplicht wordt bevestigd.