ECLI:NL:CRVB:2014:1147

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2014
Publicatiedatum
8 april 2014
Zaaknummer
13-4793 WIA-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, zevende lid, AwbArt. 8:108, eerste lid, Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-tijdige betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant, maar het griffierecht werd niet tijdig betaald ondanks een verkorte betalingstermijn. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en het verzet tegen deze beslissing werd eveneens ongegrond verklaard door de Centrale Raad van Beroep.

De gemachtigde van appellant voerde aan dat de boekhouding de betaling vertraagde en dat de rechtbank niet had geïnformeerd over de versnelde betalingstermijn, wat zou leiden tot excessief formalisme. De Raad oordeelde dat doorbreking van het verbod op hoger beroep alleen mogelijk is bij evidente schending van goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen, wat hier niet het geval was.

De Raad concludeerde dat het niet tijdig betalen van het griffierecht, nadat dit correct was geheven, een algemeen aanvaarde grond is voor niet-ontvankelijkverklaring. Er was geen reden voor proceskostenveroordeling. Het verzet werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 7 april 2014
13/4793 WIA-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juli 2013, 13/2560 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 9 oktober 2013 heeft de Raad zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het namens appellant door P.J. Reeser (gemachtigde) ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak.
Namens appellant heeft gemachtigde verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 24 februari 2014. Appellant, bijgestaan door gemachtigde, was aanwezig. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 9 oktober 2013 berust op de overweging dat de aangevallen uitspraak een uitspraak (op verzet) is als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb, waartegen geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Gemachtigde heeft verzocht om versnelde behandeling van het door hem namens appellant bij de rechtbank ingestelde beroep. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank de termijn voor het betalen van het griffierecht verkort tot twee weken. Bij aangetekend verzonden brief van 29 maart 2013, bij het kantoor van gemachtigde bezorgd op 3 april 2013, is verzocht om betaling van het griffierecht binnen die - verkorte - termijn. Het griffierecht is niet tijdig betaald. Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het daartegen gedane verzet ongegrond verklaard.
Ter zitting van de Raad heeft gemachtigde verklaard dat de nota tijdig aan de boekhouding is overhandigd ter betaling, maar dat de boekhouding de nota enkele dagen heeft laten liggen. Gemachtigde heeft erkend dat zijn kantoor een fout heeft gemaakt.
In verzet is aangevoerd dat de rechtbank de geschetste gang van zaken in de hand heeft gewerkt door gemachtigde niet in kennis te stellen van het inwilligen van het verzoek om versnelde behandeling. Verder is betoogd dat sprake is van “excessief formalisme” als bedoeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Volgens vaste rechtspraak is doorbreking van het verbod van hoger beroep (alleen) mogelijk als sprake is van evidente schending van eisen van goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. De geschetste gang van zaken bij de rechtbank biedt voor dit oordeel geen grondslag. Van excessief formalisme is evenmin sprake. Indien op correcte wijze griffierecht is geheven en het griffierecht wordt onverschoonbaar niet of te laat betaald, dan levert dat een in de rechtspraak algemeen aanvaarde grond voor niet-ontvankelijkverklaring op.
Het verzet is ongegrond.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van
D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
7 april 2014.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
ew