ECLI:NL:CRVB:2014:1123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf 5 juli 2010. Na een onderzoek door de gemeente Heerhugowaard werd vastgesteld dat zij en haar ex-partner, met wie zij een kind heeft, gezamenlijk een huishouden voerden zonder dit te melden. Dit leidde tot een besluit van het college om de bijstand met ingang van 21 mei 2011 in te trekken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder observaties, een huisbezoek en verklaringen van appellante zelf, voldoende bewijs leverden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellante's tegenargumenten, zoals het terugkomen op haar verklaring en het betwisten van de aanwezigheid van haar ex-partner, werden verworpen.
Verder werd geoordeeld dat het motief van het verblijf van haar ex-partner (de ziekte van hun zoon) niet relevant is voor de beoordeling van de gezamenlijke huishouding. De Raad bevestigde daarmee de intrekking van de bijstand en de uitspraak van de rechtbank, zonder proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.