Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:CA3793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/5067 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WAO

Appellante verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 21 december 2007 waarin haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op 35 tot 45%. Het UWV weigerde dit bij besluit van 19 augustus 2010 en handhaafde deze weigering bij bezwaar op 20 januari 2011, omdat er geen nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten.

De rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, stellende dat de door appellante overgelegde medische informatie, waaronder een brief van psychiater De Groot, geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte die op de datum in geding nog niet bekend waren. Appellante stelde in hoger beroep dat de psychische klachten onvoldoende waren meegewogen, maar de Raad onderschreef de eerdere overwegingen dat er geen nieuwe objectiveerbare medische gegevens waren.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat zonder nieuwe feiten of omstandigheden geen inhoudelijke beoordeling van het oorspronkelijke besluit mogelijk is. Het hoger beroep werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit van het UWV om niet terug te komen op de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

11/5067 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van
14 juli 2011, 11/702 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 19 juni 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. Houtsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage van bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 29 september 2011 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Appellante en haar opvolgend gemachtigde [naam gemachtigde] zijn - met kennisgeving vooraf - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij beslissing op bezwaar van 21 december 2007 heeft het Uwv het recht van appellante op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 26 augustus 2007 nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 juni 2008 (08/397) is het beroep tegen het besluit van 21 december 2007 ongegrond verklaard. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingediend is het besluit van 21 december 2007 in rechte onaantastbaar. Het thans aan de orde zijnde verzoek van 21 juli 2010 strekt ertoe dat het Uwv van dit besluit terugkomt omdat haar beperkingen in ernstige mate onderschat zijn.
1.2. Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 35 tot 45% en deze weigering gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 20 januari 2011 (bestreden besluit), op de grond dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden die er toe leiden dat de genomen beslissing van 21 december 2007 onjuist zou zijn. Daarbij heeft het Uwv zich gebaseerd op een rapportage van bezwaarverzekeringsarts Debie van 7 januari 2011. In deze rapportage is recente, door appellante overgelegde medische informatie verzekeringsgeneeskundig beoordeeld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de door appellante overgelegde brief van psychiater A.M.A. de Groot van 22 december 2009 en uit de overige door appellante overgelegde medische informatie geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden afgeleid. Dat appellante klachten heeft die horen bij een depressieve stoornis, zoals de psychiater in zijn brief schrijft, was ten tijde van de datum in geding bij het Uwv bekend. Het Uwv heeft te dien aanzien ook beperkingen opgenomen in de Functionele Mogelijkheden Lijst.
3.1. In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat de (bezwaar)verzekeringsartsen onvoldoende aandacht hebben besteed aan de psychische klachten die reeds bestonden op de datum in geding. Appellante heeft ter onderbouwing van haar standpunt opnieuw de rapportage van psychiater De Groot van 22 december 2009 ingezonden. Zij is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet gebleken is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
3.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft in de nadere reactie van 29 september 2011 te kennen gegeven dat uit het hoger beroepschrift met betrekking tot op en na de datum in geding - zijnde 26 augustus 2007 - geen nieuwe objectiveerbare medische gegevens of gezichtspunten kunnen worden afgeleid en verder verwezen naar een eerdere rapportage en de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bevindingen van De Groot geen nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden bevatten die op de datum in geding nog niet bekend waren. De Raad onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak die tot dit oordeel hebben geleid.
4.2. Bij het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb, kan niet worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit waarmee aan appellante met ingang van 26 augustus 2007 een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% is toegekend, en daarmee evenmin aan een beoordeling van de grond dat het destijds in 2007 door de verzekeringsartsen ter voorbereiding van het betreffende besluit ingestelde onderzoek onvoldoende of anderszins onzorgvuldig is geweest.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013.
(getekend) C.C.W. Lange
(getekend) Z. Karekezi
QH