ECLI:NL:CRVB:2013:CA3568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging bij intrekking bijstand
Appellante had bijstand ontvangen die door het college van burgemeester en wethouders van Dirksland per 1 september 2011 werd ingetrokken. Tegen dit besluit werd namens appellante door een medewerker van de Landelijke Belangen Vereniging (LBV) een bezwaarschrift ingediend, maar zonder een door appellante ondertekende schriftelijke machtiging.
Het college stelde de indiener van het bezwaarschrift in de gelegenheid om dit verzuim te herstellen, maar dit gebeurde niet binnen de gestelde termijn. Het bezwaar werd daarop niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan niet te weten waarom haar bijstand was beëindigd en niet te weten dat er geen machtiging was overgelegd. De Raad oordeelde dat de gemachtigde geen advocaat was en dat het college terecht om een schriftelijke machtiging mocht vragen. Ook was appellante op de hoogte gesteld van het ontbreken van de machtiging en had zij zelf actie kunnen ondernemen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een schriftelijke machtiging en het niet herstellen daarvan binnen de gestelde termijn.