ECLI:NL:CRVB:2013:CA1194

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/3644 WWB-V, 12/3645 WWB-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van hoger beroep inzake griffierecht

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 24 mei 2013 uitspraak gedaan over het verzet van appellant tegen een eerdere uitspraak van 16 oktober 2012, waarin zijn hoger beroep niet-ontvankelijk was verklaard. De appellant, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, had verzet aangetekend omdat hij problemen had met het betalen van het griffierecht. De Raad had in de eerdere uitspraak vastgesteld dat het griffierecht niet tijdig was betaald, ondanks een aangetekende brief van 13 augustus 2012 waarin een termijn van vier weken was gesteld voor betaling.

Tijdens de zitting op 26 april 2013 heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat appellant in de kerstperiode dakloos was geworden en daardoor niet in staat was om het griffierecht te voldoen. De Raad heeft echter geoordeeld dat het de verantwoordelijkheid van de gemachtigde was om de Raad tijdig op de hoogte te stellen van de betalingsproblemen, zoals aangegeven in de brief van 28 december 2012. Deze brief bood de gemachtigde een nieuwe kans om het griffierecht te voldoen, maar ook deze termijn was niet nageleefd.

De Raad heeft geconcludeerd dat het verzet ongegrond is, omdat de gemachtigde niet heeft voldaan aan de verplichting om tijdig te communiceren over de betalingsproblemen. De Raad heeft geen aanleiding gezien om de proceskosten te veroordelen en heeft het verzoek om toezending van het proces-verbaal van de zitting afgewezen, omdat appellant geen belang bij deze toezending heeft aangetoond. De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Uitspraak

12/3644 WWB-V, 12/3645 WWB-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 juni 2012, 11/889 en 11/2974 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak 24 mei 2013.
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 16 oktober 2012 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2012 heeft [H.] namens appellant verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 26 april 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [H.]. Het college is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 16 oktober 2012 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 13 augustus 2012 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Bij het verzetschrift heeft de gemachtigde van appellant een inkomensverklaring overgelegd en medegedeeld dat deze verklaring al eerder, namelijk voor afloop van de in de brief van 13 augustus 2012 gestelde termijn, aan de Raad is gefaxt.
Hierin heeft de Raad aanleiding gezien de gemachtigde van appellant bij brief van 28 december 2012 opnieuw in de gelegenheid te stellen het griffierecht, binnen vier weken, te voldoen. Daarbij is medegedeeld dat in dat geval het verzet gegrond zal worden verklaard en dat bij niet- of niet tijdige betaling het verzet ongegrond zal worden verklaard.
De Raad stelt vast dat het griffierecht - ook - binnen deze termijn niet is betaald.
Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat appellant in de kerstperiode uit zijn huis is geplaatst. Appellant is dakloos en heeft zijn tijd en energie in andere zaken moeten steken. De gemachtigde van appellant had (ook) geen mogelijkheid het griffierecht te betalen.
De Raad is van oordeel dat het op de weg van de gemachtigde van appellant had gelegen de Raad binnen de in de brief van 28 december 2012 gestelde termijn te berichten welke problemen appellant met het betalen van het griffierecht ondervond. Dat heeft zij echter niet gedaan. Dit betekent dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
Aan het ter zitting gedane verzoek om toezending van het proces-verbaal van de zitting zal de Raad niet voldoen, omdat niet is gebleken dat appellant daarbij een belang heeft.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2013.
(getekend) T.G.M. Simons
(getekend) D.W.M. Kaldenhoven
GdJ