ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstand wegens schending inlichtingenplicht met aangepaste maatregel
Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en werd geconfronteerd met een verlaging van zijn bijstand met 25% gedurende één maand omdat hij niet tijdig had gemeld dat zijn zoon niet meer bij hem woonde, waardoor hij de inlichtingenverplichting schond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van het dagelijks bestuur ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. Hij voerde aan dat hij door psychische problemen en schuldenproblematiek niet tijdig kon melden dat zijn zoon was vertrokken en betwistte de hoogte van de maatregel.
De Raad oordeelt dat het vertrek van de zoon een duidelijke invloed heeft op het recht op bijstand en dat appellant de plicht had dit direct te melden. De schending van de inlichtingenplicht rechtvaardigt een verlaging van de bijstand, maar de opgelegde maatregel van 25% was gebaseerd op een onjuist benadelingsbedrag. Na herberekening blijkt het benadelingsbedrag lager, waardoor de verlaging moet worden vastgesteld op 10% gedurende één maand.
De Raad vernietigt het eerdere besluit en het vonnis van de rechtbank voor zover het de hoogte van de maatregel betreft, herroept het besluit van 4 november 2009 en bepaalt de juiste verlaging. Tevens wordt het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellant en wordt het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De bijstand van appellant wordt met ingang van 1 december 2009 met 10% verlaagd gedurende één maand wegens schending van de inlichtingenplicht.