ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9622

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-4671 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens ontbreken ziekte of gebrek per 7 september 2010

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin is vastgesteld dat zij vanaf 6 oktober 2010 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het UWV baseerde dit op de conclusie dat de wachttijd was verstreken en dat vanaf 7 september 2010 geen sprake meer was van ziekte of gebrek die haar arbeidsongeschiktheid veroorzaakte.

De rechtbank Breda oordeelde dat het UWV zelfstandig bevoegd is om te beoordelen of de wachttijd is vervuld en dat de verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd hadden vastgesteld dat appellante geen objectieve beperkingen had die haar arbeidsongeschiktheid konden verklaren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat zij de wachttijd had volbracht en dat haar psychische en fysieke beperkingen re-integratie onmogelijk maakten. De Raad oordeelde dat de rechtbank de gronden afdoende had gemotiveerd en dat het oordeel van de verzekeringsartsen dat appellante per 7 september 2010 geen ziekte of gebrek had juist was. De Raad bevestigde de uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering vanaf 6 oktober 2010 wegens ontbreken ziekte of gebrek vanaf 7 september 2010.

Uitspraak

11/4671 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 6 juli 2011, 11/1526 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.W.G.J. de Haas, werkzaam bij DAS Nederland, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 september 2011 ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
OVERWEGINGEN
1. Bij beslissing op bezwaar van 10 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 11 oktober 2010, waarbij is vastgesteld dat voor appellante met ingang van 6 oktober 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij het bestreden besluit heeft het Uwv vastgesteld dat appellante vanaf 29 september 2010 geen recht heeft op een Wet
WIA-uitkering onder overweging dat op die dag de wachttijd was afgelopen, dat appellante de wachttijd niet heeft volbracht en dat is vastgesteld dat er vanaf 7 september 2010 bij haar geen sprake was van verminderde benutbare mogelijkheden als gevolg van ziekte of gebrek.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst overwogen dat het Uwv zelfstandig bevoegd is te beoordelen of de wachttijd is vervuld en niet gebonden is aan het standpunt van de bedrijfsarts dat appellante gedurende de gehele wachttijdperiode arbeidsongeschikt was, werkhervatting niet mogelijk was en reïntegratie in het tweede spoor niet als zinvol kon worden geacht. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsartsen in hun rapportages voldoende gemotiveerd hebben aangegeven dat bij appellante geen op ziekte of gebrek terug te voeren objectieve beperkingen zijn vast te stellen en dat evenmin met medische stukken aannemelijk is gemaakt dat sociale en/of privé omstandigheden hebben geleid tot aandoeningen die als ziekte of gebrek in de zin van de WIA kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen terecht geconcludeerd dat bij appellante per 7 september 2009 geen sprake (meer) was van arbeidsongeschiktheid ten aanzien van haar arbeid als administratief medewerkster. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt herhaald dat zij de wachttijd van 104 weken heeft volbracht en niet met ingang van 7 september 2009 hersteld kan worden geacht. Nu gebleken is dat zij vanwege ernstige psychische en fysieke beperkingen niet heeft kunnen reïntegreren, acht appellante het onbegrijpelijk dat er van uitgegaan wordt dat zij op voorgenoemde datum hersteld zou zijn.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De rechtbank heeft de eerder aangevoerde gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. Terecht is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen naar voren komt dat er al op 7 september 2010 geen sprake was van ziekte of gebrek en appellante in staat was haar eigen werk als administratief medewerkster te verrichten. Hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht omtrent advisering en besluitvorming door het Uwv ten aanzien van de reïntegratie-mogelijkheden van appellante vormt een grond die in deze procedure niet kan slagen, reeds omdat bij de besluitvorming daarover ook andere dan alleen medische aspecten worden beoordeeld.
4.2. Gelet op overweging 4.1 dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2013.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) G.J. van Gendt
JvC