ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8847
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam als inpakker bloemen en viel uit met lichamelijke klachten en later ook psychische klachten. Het UWV beoordeelde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. Appellant stelde dat hij onvoldoende hersteld was en dat zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal hem belemmerde bij het vervullen van voorbeeldfuncties.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat zowel de medische als arbeidskundige beoordeling deugdelijk was. In hoger beroep voerde appellant aan dat er sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat een urenbeperking toegepast moest worden. Ook stelde hij dat zijn taalvaardigheid onvoldoende was voor de functies.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de argumenten van appellant niet slaagden. De Raad benadrukte dat iemand met beperkte taalvaardigheid doorgaans eenvoudige productiefuncties kan vervullen, zeker gezien het feit dat appellant al vele jaren in Nederland woont en werkt. Ook werd gewezen op het verschil tussen beoordeling tijdens de wachttijd en de WIA-beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.