ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8842

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11-3835 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
  • K. Wentholt
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid op 17e en 18e verjaardag

Appellante heeft op 22 december 2009 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees deze aanvraag af omdat op haar zeventiende noch achttiende verjaardag sprake was van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Alkmaar verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond en oordeelde dat de rapportages van de verzekeringsartsen zorgvuldig waren.

In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank een onjuiste maatstaf had gehanteerd en stelde dat zij vanwege een aangeboren longafwijking, analfabetisme, een aan autisme verwante stoornis en haar zwangerschap op haar zeventiende als jonggehandicapte moest worden aangemerkt. De Raad oordeelde echter dat de juiste maatstaf is dat iemand op en na de dag van de zeventiende verjaardag onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt moet zijn. De verzekeringsartsen concludeerden op basis van een uitvoerige anamnese en medisch dossier dat appellante op haar zeventiende geen ziekte of gebrek had die arbeidsongeschiktheid veroorzaakte.

De Raad verwierp ook het verweer dat het Uwv een onjuist begrip van arbeidsongeschiktheid hanteerde. De zwangerschap werd niet als ziekte of gebrek aangemerkt en de latere psychische en longklachten waren van latere datum. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De afwijzing van de Wajong-uitkering wordt bevestigd omdat appellante op haar zeventiende en achttiende verjaardag niet arbeidsongeschikt was.

Uitspraak

11/3835 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 19 mei 2011, 10/1739 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 26 april 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hopman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen.
OVERWEGINGEN
1. Appellante, geboren op [in] 1957, heeft op 22 december 2009 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) gedaan. Bij besluit van 7 juni 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag ongegrond verklaard omdat op haar zeventiende noch op haar achttiende verjaardag sprake was van arbeidsongeschiktheid.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de rapportages van de verzekeringsartsen van het Uwv die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat niet is gebleken dat daarin onjuistheden voorkomen.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd omdat, als niet in geschil is dat geen sprake is van een bijzonder geval waarin kan worden afgeweken van de wettelijk bepaalde ingangsdatum van de uitkering, een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zich niet hoeft uit te strekken tot de dag van de achttiende verjaardag. Vaststaat dat appellante een jaar voor aanvraag arbeidsongeschikt was. Als toch de gezondheidstoestand van appellante tussen haar zeventiende en achttiende van belang is, stelt ze dat ze, vanwege een aangeboren longafwijking, analfabetisme, een aan autisme verwante stoornis en het feit dat ze op haar zeventiende in verwachting was en slechts 40 kilo woog, als jonggehandicapte is aan te merken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Anders dan appellante heeft betoogd, heeft de rechtbank de juiste maatstaf gehanteerd door als jonggehandicapte aan te merken degene die op en na de dag van de zeventiende verjaardag onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft evenzeer met juistheid overwogen dat bij appellante hiervan geen sprake is. De verzekeringsartsen van het Uwv zijn op basis van een uitvoerige anamnese en het medische dossier van appellante tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van een ziekte of gebrek op haar zeventiende verjaardag. Ondanks haar belaste jeugd waren er rond die tijd geen aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblematiek of een psychiatrisch ziektebeeld. De verzekeringsartsen hebben geconstateerd dat zij - weliswaar beperkt - kan lezen en schrijven en dat van analfabetisme geen sprake is. Zonder aan de ernst van de later ontstane psychische problematiek en de longklachten af te willen doen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het Uwv op basis van zorgvuldig onderzoek tot het oordeel is gekomen dat deze klachten van later datum zijn. Appellante heeft weliswaar gesteld dat ze op haar zeventiende al longklachten had, aan anorexia leed, een aan autisme verwante stoornis had en klachten ondervond door haar slechte jeugd en gewezen op het feit dat ze analfabeet is, maar dit heeft zij niet met medische stukken onderbouwd. Ook de ter zitting door appellante naar voren gebrachte omstandigheid dat ze op haar zeventiende zwanger was, faalt omdat haar zwangerschap en bevalling niet als ziekte of gebrek zijn aan te merken in verband waarmee appellante op en na haar zeventiende verjaardag gedurende een periode van 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.
4.2. Uit het voorgaande vloeit ook voort dat de beroepsgrond van appellante, dat het Uwv een onjuist arbeidsongeschiktheidsbegrip heeft gehanteerd door alleen rekening te houden met ernstige psychische problematiek, faalt.
4.3. Uit hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en K. Wentholt en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) D. Heeremans
JL