ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6925

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 maart 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/1237 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 Wet WIAArt. 54 Wet WIAArt. 55 Wet WIAArt. 43a WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toekenning WIA-uitkering bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak

Appellant viel op 16 november 2004 uit voor zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker met psychische klachten. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek werd hij geschikt bevonden voor zijn werk, waarna het UWV zijn aanvraag voor een WIA-uitkering per 14 november 2006 afwees. In 2009 meldde appellant zich ziek met toegenomen klachten, maar het UWV weigerde alsnog een WIA-uitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen ten opzichte van de eerdere beoordeling.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de informatie van de psychiater niet wezenlijk afweek van eerdere bevindingen. In hoger beroep bestreed appellant deze overwegingen. De Raad onderzocht de toepasselijkheid van artikel 55, lid 1, onder b, van de Wet WIA, dat toekenning van een uitkering mogelijk maakt bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar na afloop van de wachttijd.

De Raad stelde vast dat het UWV terecht de aanvraag afwees omdat er geen toename van beperkingen was. De parlementaire geschiedenis en wetsartikelen werden uitgebreid besproken, waarbij werd bevestigd dat de tekst van artikel 55 WIA Pro geen voorwaarde stelt dat de verzekerde aan het einde van de wachttijd ongeschikt was voor het eigen werk. De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per september 2009 niet was toegenomen en bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een WIA-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde ziekteoorzaak.

Uitspraak

Uitspraak
11/1237 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 februari 2011, 10/2468 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 29 maart 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C. van Woerden, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Woerden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bähr.
De Raad heeft het onderzoek in de zaak heropend en het Uwv nadere vragen gesteld. Het Uwv heeft op 18 september 2012 de vraagstelling beantwoord. Appellant heeft op de brief van het Uwv gereageerd.
Na verwijzing van de zaak naar de meervoudige kamer is met toestemming van partijen een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Appellant is op 16 november 2004 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als tuinbouwmedewerker met onder meer psychische klachten. Na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek is appellant geschikt bevonden voor dit werk. Bij besluit van 10 mei 2007 heeft het Uwv -in overeenstemming met deze conclusie van dit onderzoek- de aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 14 november 2006 afgewezen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
2. Op 14 september 2009 heeft appellant zich, vanuit een situatie dat hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met toegenomen gezondheidsklachten. Bij besluit van 31 december 2009 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 23 september 2009 in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering, onder de overweging dat de arbeidsongeschiktheid niet is toegenomen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling. Beslissend op het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 maart 2010 zijn opvatting gehandhaafd dat appellant ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling niet meer beperkingen uit dezelfde ziekte-oorzaak had.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 maart 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien het Uwv niet te volgen in diens oordeel dat de namens appellant in beroep ingebrachte informatie van psychiater Jessurun niet wezenlijk afwijkt van de in de bezwaarprocedure overgelegde informatie.
4. In hoger beroep heeft appellant de overwegingen in de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.
5.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of het Uwv de aanvraag om een WIA-uitkering terecht heeft afgewezen en overweegt daartoe allereerst als volgt.
5.2. Op grond van artikel 23 van Pro de Wet WIA geldt voor de verzekerde een wachttijd van 104 weken voordat hij aanspraak kan maken op een uitkering op grond van deze wet.
5.3. Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Wet WIA, zoals dit artikellid ten tijde van belang luidde, ontstaat recht op een WGA-uitkering voor de verzekerde die ziek wordt indien hij de wachttijd heeft doorlopen, hij gedeeltelijk arbeidsgeschikt is en op hem geen uitsluitingsgrond van toepassing is. Op grond van het tweede lid ontstaat het recht op een WGA-uitkering niet eerder dan op de eerste dag na afloop van de wachttijd.
5.4. In artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA is bepaald dat indien op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat de verzekerde op die dag niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, alsnog recht op die uitkering ontstaat met ingang van de dag dat hij wel gedeeltelijk arbeidsgeschikt wordt indien hij op de dag hieraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat het recht op een WGA-uitkering in deze situatie niet later kan ingaan dan vijf jaar na de dag bedoeld in artikel 54, tweede lid.
5.5. In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 55 van Pro de Wet WIA is te lezen:
“Er zijn (…) situaties waarin het billijk is dat ook op een later moment recht op een uitkering kan ontstaan. Deze situaties zijn in dit artikel limitatief genoemd (…). De tweede situatie (eerste lid, onderdeel b) is het geval dat de verzekerde op de eerste dag na afloop van de wachttijd of verlengde loondoorbetalingsperiode niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt was omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was maar dat hij door een toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak na het einde van die wachttijd of loondoorbetalingsperiode dat wel is. In deze situatie ontstaat mits die toegenomen arbeidsongeschiktheid zich binnen 5 jaar voordoet (derde lid) alsnog recht op een
WGA-uitkering.” (Kamerstukken II 2004/2005, 30034, nr. 3, blz. 190). “De mogelijkheid dat het recht alsnog op een later moment kan ontstaan bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak, is een voortzetting van het huidige beleid (artikel 43a WAO).” (Kamerstukken II 2004/2005, 30034, nr. 3, blz. 67).
5.6. Nadat de zaak ter zitting is behandeld is op 4 september 2012 aan het Uwv navolgende vraagstelling toegezonden:
“(…) Het bestreden besluit berust op toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Ter zitting is de vraag aan de orde gesteld of, gelet op het bepaalde in dit artikelonderdeel en gegeven het feit dat uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling naar voren komt dat de wetgever daarmee heeft beoogd het huidige beleid - gedoeld wordt op de zogeheten amberbepalingen in de WAO, in het bijzonder artikel 43a van de WAO - voort te zetten onder de Wet WIA, niet reeds het gegeven dat appellant destijds per einde wachttijd, met ingang van 14 november 2006 geschikt werd geacht voor het eigen werk, in de weg staat aan toekenning van uitkering op grond van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA.
Uit de door u bij het nemen van het bestreden besluit gevolgde benadering zou kunnen worden afgeleid dat u dit punt niet als een belemmering hebt gezien om tot toekenning van een uitkering over te gaan, nu u immers bent overgegaan tot een beoordeling of sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak. Desgevraagd ter zitting werd uwerzijds aangegeven dat door u bij dit aspect mogelijkerwijs niet expliciet is stilgestaan, en dat de gevolgde benadering in zoverre niet gezien moet worden als berustend op een bewuste keuze van het Uwv ter zake van de wijze waarop de onderhavige bepaling met betrekking tot dit aspect dient te worden uitgelegd. Anderzijds werd opgemerkt dat de wettekst van artikel 55 van Pro de Wet WIA afwijkt van de formulering van artikel 43a van de WAO, en dat artikel 55, althans naar de bewoordingen daarvan, niet uitsluit dat uitkering wordt toegekend, ook in gevallen waarin eerder uitkering werd geweigerd wegens geschiktheid voor het eigen werk bij einde wachttijd.
De Raad verneemt gaarne alsnog, aan de hand van de hieronder geformuleerde vragen, uw gemotiveerde standpunt ter zake.
Vragen:
1) Gaat het Uwv ervan uit dat op zich toekenning van een uitkering met toepassing van artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA, mogelijk is in gevallen waarin bij een eerdere beoordeling geen uitkering werd toegekend wegens geschiktheid voor het eigen werk?
2) Kunt u, bij bevestigende beantwoording van vraag 1, uiteenzetten waarop u deze keuze baseert, mede in het licht van de tekst van de bepaling en de parlementaire geschiedenis ervan?
3) Indien het Uwv het standpunt inneemt dat een voorafgaande weigering van uitkering op grond van geschiktheid voor het eigen werk wel in de weg staat aan toekenning van uitkering met toepassing van artikel 55, kunt u dan aangeven wat dit betekent voor (de motivering van) het in de onderhavige procedure voorliggende bestreden besluit?
5.7. Op 18 september 2012 heeft het Uwv als volgt op deze vraagstelling gereageerd:
“In uw brief van 4 september 2012 heeft u ons gevraagd om aan te geven in hoeverre het UWV de toepassing van artikel 55, lid 1 aanhef en onder b van de Wet WIA als een voortzetting ziet van het gehanteerde beleid t.a.v. de amber bepalingen in de WAO. Ter zitting was hierover enige onduidelijkheid ontstaan omdat de wetgever enerzijds volgens de parlementaire geschiedenis heeft beoogd het beleid t.a.v. de amberbepalingen in de WAO voort te zetten in de WIA terwijl anderzijds de gehanteerde wettekst van artikel 55, lid 1 aanhef en onder b van de Wet WIA een andere formulering kent. Juist in dit laatste punt, de gewijzigde formulering heeft het UWV aanleiding gezien, het eerdere beleid aan te passen.
Ter verduidelijking geven wij hieronder een toelichting op het standpunt van het UWV:
In de MVT op de WIA staat het volgende:
“In de derde plaats kan de betrokkene na afloop van de wachttijd van 104 weken én de loondoorbetalingsplicht minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, maar wel aan alle overige ontstaansvoorwaarden voor het recht op een IVA- of WGA-uitkering voldoen. Als de betrokkene binnen vier weken na het einde van de loondoorbetalingsplicht ten minste 35% of duurzaam volledig arbeidsongeschikt wordt, ontstaat alsnog recht op een WGA respectievelijk IVA-uitkering. Deze regeling komt overeen met het huidige artikel 19, derde lid, WAO en heeft te maken met het feit dat perioden van arbeidsongeschiktheid die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, worden samengeteld. In dit geval doet niet ter zake wat de oorzaak is van de arbeidsongeschiktheid die intreedt binnen vier weken na de loondoorbetalingsperiode. Deze oorzaak is wel van belang bij de volgende regeling. Als binnen vijf jaar na het einde van de loondoorbetalingsplicht de arbeidsongeschiktheid van betrokkene zodanig toeneemt dat hij ten minste 35% of volledig duurzaam arbeidsongeschikt is, dan ontstaat alsnog recht op een WGA respectievelijk IVA-uitkering, mits de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak op basis waarvan de betrokkene recht had op loondoorbetaling of ziekengeld. Bovendien dient zich op dat moment geen uitsluitingsgrond voor te doen. De mogelijkheid dat het recht alsnog op een later moment kan ontstaan bij toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak, is een voortzetting van het huidige beleid (artikel 43a WAO).”
En bij de artikelgewijze toelichting:
“De tweede situatie (eerste lid, onderdeel b) is het geval dat de verzekerde op de eerste dag na afloop van de wachttijd of verlengde loondoorbetalingsperiode niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt was omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was maar dat hij door een toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak na het einde van die wachttijd of loondoorbetalingsperiode dat wel is. In deze situatie ontstaat een WGA-recht mits die toegenomen arbeidsongeschiktheid zich binnen 5 jaar voordoet (derde lid alsnog recht op een WGA-uitkering.”)
Uit deze toelichting blijkt niet waarom de wetgever gekozen heeft voor een andere wettekst dan bij art. 43a WAO, maar wij nemen aan dat het een bewuste keuze moet zijn geweest.
In artikel 43a WAO staat dat de betrokkene per einde wachttijd “ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken” als voorwaarde genoemd voor de toepassing van dit artikel. In artikel 55 WIA Pro komt deze zinsnede niet voor (slechts dat per einde wachttijd geen sprake was van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid”), waarbij dus met name de verwijzing naar ”zijn arbeid” ontbreekt. En als de tekst van de wet zo duidelijk deze voorwaarde niet stelt, is het niet aan UWV om deze voorwaarde er toch weer in te lezen, ook al heeft de wetgever in de toelichting aangegeven dat het beleid van art. 43a WAO wordt voortgezet.
Als het bijvoorbeeld gaat om de kwestie dat er volgens vaste jurisprudentie van de CRvB geen arbeidskundige beoordeling hoeft plaats te vinden als de medische beperkingen niet zijn toegenomen, dan geeft de wettekst daarover geen uitsluitsel en sluiten we wel aan bij de memorie van toelichting dat op dit punt geen wijziging is beoogd.
Gelet op bovenstaande UWV standpunt beantwoorden we de door u gestelde 3 vragen aan het einde van uw vraagstelling als volgt:
-1- het UWV gaat ervan uit dat op zich toekenning van een uitkering met toepassing van artikel 55 lid 1 aanhef Pro en onder b van de Wet WIA mogelijk is in gevallen waarbij bij een eerdere beoordeling geen uitkering werd toegekend wegens geschiktheid voor het eigen werk.
-2- het bevestigende antwoord van vraag 1 is gebaseerd op de gewijzigde formulering van de wettekst van artikel 55 lid 1 aanhef Pro en sub b Wet WIA waar m.n. de verwijzing naar “zijn arbeid”ontbreekt. Nu de tekst van de wet zo duidelijk deze voorwaarde niet stelt, is het niet aan het UWV om deze voorwaarde toch weer in de wettekst te lezen, ook al heeft de wetgever in de toelichting aangegeven dat het beleid van artikel 43a WAO wordt voortgezet.
-3- voor het voorliggende besluit heeft een en ander uiteraard geen consequenties. De afwijzing van de WIA-aanvraag op grond van artikel 55 lid 1 aanhef Pro en sub b WIA berust op het standpunt dat er geen toegenomen beperkingen zijn uit dezelfde ziekteoorzaak. Eerder is al door ons uiteengezet waarom dit inhoudelijk medische standpunt op een voldoende medische grondslag berust.”
5.8.1. Het standpunt van het Uwv, zoals uiteengezet in rechtsoverweging 5.7 is juist: in een geval als het onderhavige, waarin een eerder verzoek van appellant om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering krachtens de Wet WIA is geweigerd omdat hij in aansluiting op de reguliere wettelijke wachttijd, met ingang van 14 november 2006, in staat werd geacht tot het verrichten van de eigen werkzaamheden, staat de tekst van artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA niet aan een latere toekenning van uitkering met toepassing van die bepalingen in de weg.
5.8.2. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA, anders dan in artikel 43a, eerste lid, onder b, van de WAO, niet als voorwaarde is opgenomen dat het moet gaan om een persoon die aan het einde van de reguliere wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid maar geen recht op toekenning van uitkering had omdat hij niet arbeidsongeschikt was. Naar de bewoordingen ervan ziet artikel 55, eerste lid, onder b, van de Wet WIA op degene voor wie op de dag, bedoeld in artikel 54, tweede lid, geen recht op een WGA-uitkering is ontstaan omdat hij niet gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, die nadien - binnen de in het derde lid van artikel 55 van Pro de Wet WIA bedoelde termijn - alsnog gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt en die gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Anders dan in artikel 43a, eerste lid, onder b, van de WAO wordt niet als voorwaarde gesteld dat bij de eerdere weigering van uitkering sprake moet zijn geweest van ongeschiktheid voor het eigen werk op de eerste dag na afloop van de wachttijd.
5.8.3. Bij het licht van deze op zich niet voor tweeërlei uitleg vatbare wettekst, wordt in de omstandigheid dat de wetgever blijkens de Memorie van Toelichting met de in artikel 55 van Pro de Wet WIA opgenomen regeling heeft beoogd het huidige beleid (artikel 43a van de WAO) voort te zetten, onvoldoende ruimte gezien voor een andersluidende uitleg.
5.9. Het hoger beroep van appellant richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat door het Uwv terecht is aangenomen dat ten tijde hier van belang ten aanzien van appellant geen sprake is van een toename van arbeidsbeperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak als die waaruit de beperkingen voortkwamen die in aanmerking zijn genomen bij de eerdere beoordeling die heeft geleid tot de weigering van uitkering per
14 november 2006.
5.10.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de arbeidsongeschiktheid van appellant per september 2009 niet was toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling in 2007. In de FML van april 2007 werd bij het vaststellen van de belastbaarheid rekening gehouden met beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de psychische beperkingen in 2009 waren toegenomen informatie van de behandelende psychiater Jessurun van 21 september 2009 en 21 september 2010 overgelegd, alsmede van de huisarts. Er bestaat geen aanleiding om het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat uit die informatie niet tot een toename van beperkingen in de FML kan worden geconcludeerd, niet te volgen. Daarbij wordt vastgesteld dat de psychiater in 2009 onder meer melding heeft gemaakt van een chronisch verlopend depressief toestandsbeeld en een paniekstoornis zonder agorafobie. In de brief van 12 september 2007 is door de psychiater gesproken over een chronisch verlopende psychiatrische aandoening waarvoor appellant sedert 2002 bij hem onder behandeling is. Er wordt geen aanleiding gezien om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de informatie van Jessurun in essentie niet afwijkt van diens eerdere bevindingen niet te volgen. Ten aanzien van de lichamelijke klachten was in 2007 blijkens informatie van de huisarts onder meer sprake van een slecht gereguleerde diabetes, chronische rugklachten, longproblemen en epilepsie. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de lichamelijke beperkingen in 2009 zijn toegenomen onder meer een brief van de huisarts van 14 november 2009 overgelegd. De rechtbank heeft met juistheid bevestigd het standpunt van het Uwv dat met de overgelegde informatie onvoldoende is onderbouwd dat de lichamelijke beperkingen van appellant zijn toegenomen.
5.10.2. Gezien het onder 5.10.1 overwogene bestaat voor het raadplegen van een deskundige geen aanleiding.
5.11. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.10.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met aanvulling van gronden dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) J.R. Baas
TM