ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6712
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag voor beperkingen
Appellant, voormalig koerier, vroeg een WIA-uitkering aan na klachten van chronische rugpijn en een reactieve depressieve episode na een verkeersongeval. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering, mede op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld door een verzekeringsarts.
Appellant maakte bezwaar en overhandigde medische rapporten, waaronder van neurologen en een bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank benoemde een onafhankelijke deskundige, neuroloog Kuster, die concludeerde dat de klachten op de datum in geding niet verder gingen dan de beperkingen in de FML, met een toename van klachten pas na die datum.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de zitbelasting in de FML. De Raad volgde het oordeel van de deskundige Kuster en bevestigde dat er geen medische grondslag was voor verdere beperkingen op de datum in geding.
De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was en dat het hoger beroep ongegrond was. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.