ECLI:NL:CRVB:2013:BZ6623

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
11/6130 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 7:11 AwbWet werk en bijstand
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening en terugvordering bijstand wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin haar bijstand over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2009 werd herzien en een bedrag van €2.677,90 werd teruggevorderd. Het college baseerde dit op het feit dat haar meerderjarige inwonende zoon een inkomen had genoten dat niet was opgegeven.

Appellante stelde dat haar zoon geen inkomen had genoten, maar slechts een lening van de Informatie Beheer Groep had ontvangen en dat hij in die periode niet bij haar woonde. Het college wees het verzoek om terug te komen op het besluit af, omdat een lening volgens vaste jurisprudentie als inkomen wordt aangemerkt en appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat het bestuursorgaan bevoegd is om een verzoek om terug te komen op een besluit te beperken tot de vraag of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn, en dat de kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit geen doorslaggevende rol speelt.

Omdat appellante geen nieuwe feiten heeft aangevoerd, is het college bevoegd geweest het verzoek af te wijzen. Het hoger beroep slaagt niet en het verzoek tot vergoeding van schade wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

11/6130 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
5 september 2011, 11/2253 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak 9 april 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kramer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Veenendaal.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 5 juni 2009 heeft het college de bijstand van appellante
ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2009 herzien en van haar een bedrag van € 2.677,90 teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de meerderjarige inwonende zoon van appellante in die periode een inkomen van hoger dan 35% van het minimumloon heeft genoten en dat appellante daarvan geen opgave aan het college heeft gedaan. Indien appellante van dat inkomen opgave had gedaan, zou het college aan haar geen dan wel een toeslag hebben verstrekt.
1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 5 juni 2009 geen bezwaar gemaakt.
1.3. Namens appellante heeft mr. Kramer bij brief van 13 juli 2010 het college verzocht om op het besluit van 5 juni 2009 terug te komen op de grond dat het besluit pertinent onjuist is. Daarbij is naar voren gebracht dat de zoon van appellante in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2009 geen inkomsten heeft genoten, aangezien hij in die periode slechts een lening van de Informatie Beheer Groep (IBG) heeft ontvangen, en verder dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met augustus 2008 niet bij appellante heeft gewoond maar in Barcelona heeft gestudeerd en is verbleven.
1.4. Bij besluit van 22 oktober 2010 heeft het college het verzoek afgewezen op de grond dat een lening van de IBG volgens vaste jurisprudentie als een voorliggende voorziening en als inkomen wordt aangemerkt.
1.5. Bij besluit van 18 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 oktober 2010 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven om terug te komen op het besluit van 5 juni 2009.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat appellante bij het verzoek om op het besluit van 5 juni 2009 terug te komen geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren heeft gebracht. Ook als het college inhoudelijk op dat verzoek heeft beslist, stond het hem vrij om in bezwaar het verzoek af te wijzen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft voorts overwogen dat de vraag of het besluit van 5 juni 2009 al dan niet pertinent onjuist is, niet de maatstaf is die de rechter dient aan te leggen.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het college niet meer vrij stond om in bezwaar haar verzoek met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb af te wijzen, nu het college bij het primaire besluit op haar verzoek inhoudelijk heeft beslist. Ter zitting van de Raad heeft zij daaraan toegevoegd dat het besluit van 5 juni 2009 kennelijk onjuist is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Awb, dat hier van overeenkomstige toepassing is, staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Een bestuursorgaan kan er ook voor kiezen om zich bij de behandeling van een verzoek om terug te komen van een eerder (ambtshalve) genomen besluit te beperken tot beantwoording van de vraag of sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die een terugkomen van het eerder genomen besluit rechtvaardigen. De bestuursrechter dient in beide gevallen het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien (zie bijvoorbeeld CRvB 6 maart 2012, LJN BV7912).
4.2. Appellante stelt terecht dat het besluit van 22 oktober 2010 een inhoudelijke beslissing bevat. Dit betekent evenwel niet dat het college in het bestreden besluit ten onrechte voor een beperktere benadering heeft gekozen, in die zin dat - slechts - is bezien of sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Een dergelijke handelwijze die uitmondt in een andere grondslag van het besluit op bezwaar, acht de Raad in overeenstemming met zijn vaste rechtspraak waarin is neergelegd dat artikel 7:11 van Pro de Awb er niet aan in de weg staat om in bezwaar een besluit te handhaven op een andere grond dan waarop het primaire besluit steunt, omdat de bezwaarprocedure bedoeld is voor een volledige heroverweging (zie de onder 4.1 vermelde uitspraak van 6 maart 2012).
4.3. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vraag of het besluit van 5 juni 2009 al dan niet pertinent onjuist is, niet de maatstaf is die de rechter dient aan te leggen. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat de evidente of kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf in het kader van de vraag of een bestuursorgaan van een eerder genomen besluit dient terug te komen, geen beslissende rol speelt (zie CRvB 29 mei 2012, LJN BW6842).
4.4. Vast staat dat appellante aan het verzoek om terug te komen op het besluit van 5 juni 2009 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Dit betekent dat het college bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb het verzoek af te wijzen.
4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Dit brengt tevens mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2013.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) B. Rikhof
KR